1.
Geef mij genade van omhoog
om in mijn levensstrijd
tot aan het einde vast te staan
in volle zekerheid.
om in mijn levensstrijd
tot aan het einde vast te staan
in volle zekerheid.
2.
Al breekt U, Heer, mijn eigen kracht,
buigt zich mijn ziel terneer,
het: “Mijn genaad’ is u genoeg!”
dat houd ik vast, o Heer.
buigt zich mijn ziel terneer,
het: “Mijn genaad’ is u genoeg!”
dat houd ik vast, o Heer.
3.
’t Kan niet zo zijn dat zwakheid mij
van Christus’ liefde scheidt,
want in die zwakheid word ik juist
volmaakt in heiligheid.
van Christus’ liefde scheidt,
want in die zwakheid word ik juist
volmaakt in heiligheid.
4.
Wat een genade, Here God,
en liefde eindeloos,
dat U geringen hier op aard
als erfdeel uitverkoos!
en liefde eindeloos,
dat U geringen hier op aard
als erfdeel uitverkoos!