1.
Jezus zelf is zijn getrouwen
als een eenheid op gaan bouwen
in een heilig vreeverbond,
met het kruis als vaste grond.
als een eenheid op gaan bouwen
in een heilig vreeverbond,
met het kruis als vaste grond.
2.
Ieder heeft hetzelfde lijden,
één verlangen t’ allen tijde.
In hen knaagt dezelfde smart,
brandt dezelfde nood in ’t hart.
één verlangen t’ allen tijde.
In hen knaagt dezelfde smart,
brandt dezelfde nood in ’t hart.
3.
Eén geloof komt op hun bede,
één vertroosting brengt hun vrede,
sterkte van dezelfde God,
liefdegloed voor zijn gebod.
één vertroosting brengt hun vrede,
sterkte van dezelfde God,
liefdegloed voor zijn gebod.
4.
Bij hetzelfde altaar eren
zij tezaam dezelfde Here.
Zij verduren uur na uur
voor één doel het lout’ringsvuur.
zij tezaam dezelfde Here.
Zij verduren uur na uur
voor één doel het lout’ringsvuur.
5.
Eén hoop geeft dezelfde vreugde,
één jacht naar dezelfde deugden.
Eén triomf is hun bereid
in dezelfde levensstrijd.
één jacht naar dezelfde deugden.
Eén triomf is hun bereid
in dezelfde levensstrijd.
6.
Diep geluk vervult hun zinnen,
nieuwe moed laait op van binnen
als zij bij elkander zijn:
één in Gods Geest, hecht en rein.
nieuwe moed laait op van binnen
als zij bij elkander zijn:
één in Gods Geest, hecht en rein.
7.
Eeuwig zijn zij saam verbonden,
want Gods Geest heeft zelf gesponnen
door zijn samenbindend werk
fijne draden, uiterst sterk.
want Gods Geest heeft zelf gesponnen
door zijn samenbindend werk
fijne draden, uiterst sterk.