1.
Wie met God ootmoedig wandelt,
trouw de weg des kruises gaat,
naar ’t gebod met liefde handelt,
lusten en begeerten haat,
die krijgt onvergank’lijk leven,
zijn hoop is de eeuwigheid.
Hier moet hij zich off’ren, geven;
ginds is ’s levens kroon bereid.
trouw de weg des kruises gaat,
naar ’t gebod met liefde handelt,
lusten en begeerten haat,
die krijgt onvergank’lijk leven,
zijn hoop is de eeuwigheid.
Hier moet hij zich off’ren, geven;
ginds is ’s levens kroon bereid.
2.
Zalig wie rechtvaardig leven;
wat men zaait, oogst men altijd.
En wie geeft, dien wordt gegeven,
troost is treurenden bereid.
Niets hier voor zichzelf ooit eisen!
en nooit doen de eigen wil,
maar slechts and’ren hulp bewijzen,
vol van troost, ootmoedig, stil.
wat men zaait, oogst men altijd.
En wie geeft, dien wordt gegeven,
troost is treurenden bereid.
Niets hier voor zichzelf ooit eisen!
en nooit doen de eigen wil,
maar slechts and’ren hulp bewijzen,
vol van troost, ootmoedig, stil.
3.
Velen schatten niet naar waarde
’t ondergaan van Christus’ smaad
als een graankorrel in d’ aarde,
en te gaan waar Jezus gaat.
Hier veracht, alleen gelaten,
dragend vrucht voor d’ eeuwigheid.
Met hun schat in aarden vaten
geven zij God d’ eer altijd.
’t ondergaan van Christus’ smaad
als een graankorrel in d’ aarde,
en te gaan waar Jezus gaat.
Hier veracht, alleen gelaten,
dragend vrucht voor d’ eeuwigheid.
Met hun schat in aarden vaten
geven zij God d’ eer altijd.