1.
Heerlijk is mijn erfenis, liefelijk en goed;
wat mij toegemeten is, dat is overvloed!
:/: Want mijn deel, mijn beker is onze Here God.
Hij doet mij alleen maar goed, wat een heerlijk lot! :/:
wat mij toegemeten is, dat is overvloed!
:/: Want mijn deel, mijn beker is onze Here God.
Hij doet mij alleen maar goed, wat een heerlijk lot! :/:
2.
Ik wil God mijn leven lang welgevallig zijn.
Vergeleken daarbij is al het and’re klein.
:/: Wat voor ’t ‘ik’ van waarde was, is mij nu verlies,
omdat ik de kennis Gods bovenal verkies. :/:
Vergeleken daarbij is al het and’re klein.
:/: Wat voor ’t ‘ik’ van waarde was, is mij nu verlies,
omdat ik de kennis Gods bovenal verkies. :/:
3.
Waarop zich het vlees beroemt, haat ik meer en meer.
Niet het stof komt eerbied toe, maar alleen de Heer.
:/: In de kracht die God mij geeft, roei ik uit meteen
wat omhoog wil in het vlees. Satan vlucht dan heen. :/:
Niet het stof komt eerbied toe, maar alleen de Heer.
:/: In de kracht die God mij geeft, roei ik uit meteen
wat omhoog wil in het vlees. Satan vlucht dan heen. :/:
4.
’t Voorhangsel gaat scheuren nu, ’k zie Gods koninkrijk
en zijn grote heiligheid; wie is Hem gelijk?
:/: ’k Leer Hem kennen, die aan mij eeuwig leven bracht;
Hij schept reinheid in mijn hart door zijn scheppingskracht. :/:
en zijn grote heiligheid; wie is Hem gelijk?
:/: ’k Leer Hem kennen, die aan mij eeuwig leven bracht;
Hij schept reinheid in mijn hart door zijn scheppingskracht. :/: