1.
O, gij Gods Zoon, wat heb ik U lief!
U redde, verkoos ook mij,
ontsloot mij de nauwe poort en verbrak
heel Satans heerschappij.
U redde, verkoos ook mij,
ontsloot mij de nauwe poort en verbrak
heel Satans heerschappij.
Refrein:
’k Stil nu mijn dorst aan ’s levens bron
met water, zo klaar en rein.
Het vult nu mijn hart, het troost in mijn smart;
U wilt mijn redder zijn.
met water, zo klaar en rein.
Het vult nu mijn hart, het troost in mijn smart;
U wilt mijn redder zijn.
2.
O, gij Gods Zoon, ’k moet zingen van U;
U gaf mij het leven, Heer!
De hoop maakt mij blij, ik breng U mijn dank:
lied’ren vol lof en eer.
U gaf mij het leven, Heer!
De hoop maakt mij blij, ik breng U mijn dank:
lied’ren vol lof en eer.
3.
Wondere klanken hebben mijn hart
met blijdschap en vreugd vervuld,
gejubel, in mij door Jezus gewekt,
want Hij droeg al mijn schuld!
met blijdschap en vreugd vervuld,
gejubel, in mij door Jezus gewekt,
want Hij droeg al mijn schuld!
4.
Nu smelt, o Heer, het ijs in mijn hart,
’k versta nu het heerlijk lied
dat al uw getrouwen zingen in koor!
Eerder begreep ik ’t niet.
’k versta nu het heerlijk lied
dat al uw getrouwen zingen in koor!
Eerder begreep ik ’t niet.
5.
O, gij Gods Zoon, dat prachtige lied
zal zijn tot uw lof en eer.
Bevestig de band, gesmeed door gebed,
bind mij aan U nog meer.
zal zijn tot uw lof en eer.
Bevestig de band, gesmeed door gebed,
bind mij aan U nog meer.