Lied

195

Jeruzalem, Jeruzalem, wie evenaart uw macht

1.
Jeruzalem, Jeruzalem, wie evenaart uw macht?
Uw muren kunnen d’ ouderdom trotseren.
Voortdurend moet ik denken aan uw heerlijkheid en kracht,
uw vorsten, u gegeven door de Here,
uw tempel en uw priesters, daar aangesteld door God,
uw wierook en uw mirre, bereid naar Gods gebod;
Levieten zongen dag en nacht Gods ere.
2.
In ’t centrum van de wereld ligt Gods uitverkoren stad,
de koningin van alle aardse steden.
Tot u begeeft men zich van heind’ en ver massaal op pad;
zo komt elk volk met eerbied aangetreden.
Ach, kon ik u maar prijzen, uw grote heerlijkheid,
mijn hart zou overstromen! O stad van Jezus’ strijd,
u koos Hij uit, in u heeft Hij geleden.
3.
“Gelijk een hen haar kuikens, zo heb Ik - klonk Jezus’ stem -
de kind’ren dezer stad willen vergaren.”
“Wij hebben Hem niet nodig. Daarom weg, aan ’t kruis met Hem!
Ja, kruisig Hem!” Zo schreeuwden luid de scharen.
De stad verwierp haar redding, de hulp die Jezus bood.
Hoe spoedig kwam het einde, haar val, ontstellend groot!
Gedenk aan al wat haar is wedervaren.
(Klaagl. 1:9)
4.
Jeruzalem ligt open, afgebroken is haar muur
en ach, hoe bitter treuren Sions wegen!
De vijand van het volk beloert het, gunt het rust noch duur,
en nergens komt men feestgangers meer tegen.
God heeft de stad gedompeld in rouw en tegenspoed;
haar vijand voelt zich zeker, dat weet zij al te goed.
Wie zou dat niet tot rouwgeklaag bewegen!
5.
Jeruzalem, Jeruzalem, gij hooggelegen stad,
hoe menigmaal hebt gij niet moeten lijden!
Men stenigt uw getuigen, sluit de deur toe tot Gods pad,
verbrandt wie voor de waarheid willen strijden.
Profeet en priester strijken een kalklaag over ’t kwaad,
en ’t volk wil dat hun ‘herder’ zich goed betalen laat,
kan in zo’n zwoele sfeer niet onderscheiden.
6.
Jeruzalem, Jeruzalem, ik klaag nu luid mijn nood;
verdriet om u vervult mij bovenmate.
Men spreekt zo hartverwarmend van uw schoonheid, wondergroot,
om echter uw getuigen diep te haten.
Er is geen troost te vinden voor zulk een hartenood;
en daarom moet ik wenen, ’t verdriet is veel te groot.
Ik kan en wil uw klaagmuur niet verlaten.
7.
Jeruzalem, voor u alleen staat heel mijn hart in brand;
mijn ijver voor uw zaak bracht eenzaam lijden.
Maar onder uw bekenden vond ik niemand in het land,
die één van geest met u was t’ allen tijde.
Maar Juda bracht uit duizend een kleine schare voort,
die nu de stad herbouwt met haar slagboom, muur en poort,
de zwaarden aangegord, gereed tot strijden.
8.
Dus zing ik in de nood voor God mijn juichend lofgedicht:
Hij heeft m’ uit Babels leegte opgeheven.
Uit duisternis en donkerheid straalt nu een godd’lijk licht
tot groot geluk en blijdschap, heerlijk leven.
Van ’t lichaam, Hem bereid, werd geen enk’le klacht gehoord.
Wij willen ook niet klagen, wij zijn van ’t zelfde soort.
Dus hiermee is mijn laatste klacht geschreven.
Geschreven door Johan O. Smith (gepubliceerd in 1929)Gecomponeerd door Even SkogsrudTekst en melodie © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ A