1.
’k Wil U prijzen, o God, voor d’ ontferming zo groot,
die blijft bij ons in all’ eeuwigheid.
Uw genaad’ is een schild voor wie in U gelooft.
Eeuw’ge vrede hebt U hun bereid.
die blijft bij ons in all’ eeuwigheid.
Uw genaad’ is een schild voor wie in U gelooft.
Eeuw’ge vrede hebt U hun bereid.
2.
Aan ’t gebed der oprechten leent God steeds het oor.
Hij beschaamt zijn geringen hier niet.
Hij toch zelf is het erfdeel, dat Hij hun verkoor.
Ja, mijn lot is een lieflijk gebied.
Hij beschaamt zijn geringen hier niet.
Hij toch zelf is het erfdeel, dat Hij hun verkoor.
Ja, mijn lot is een lieflijk gebied.
3.
O mijn Jezus, ’k bemin U zo hartelijk, Heer,
want Gij zijt steeds mijn lofzang, mijn kracht.
Ik wil prijzen uw naam, ja, U danken zo zeer.
Eeuwig zij U, o God, lof gebracht.
want Gij zijt steeds mijn lofzang, mijn kracht.
Ik wil prijzen uw naam, ja, U danken zo zeer.
Eeuwig zij U, o God, lof gebracht.
4.
Uw ontferming werd meer dan het leven mij waard,
ja, uw roeping maakt groot en verblijdt.
U wilt in ons een blijvende woonplaats op aard,
ja, in Sion woont uw heerlijkheid.
ja, uw roeping maakt groot en verblijdt.
U wilt in ons een blijvende woonplaats op aard,
ja, in Sion woont uw heerlijkheid.
5.
Loof de Heer nu, mijn ziel; prijs Hem, alles in mij!
Loof de Heer nu en zijn heil’ge naam!
Want genadig, barmhartig, lankmoedig is Hij.
Ja, mijn ziel, loof zijn heilige naam!
Loof de Heer nu en zijn heil’ge naam!
Want genadig, barmhartig, lankmoedig is Hij.
Ja, mijn ziel, loof zijn heilige naam!