1.
Op ’t altaar brandt het vuur van God.
Dat zul je wel gaan merken!
Dit vuur is vriendelijk en mild.
Hou vol, God zal je sterken.
Het werkt naar binnen met zijn gloed,
en vult je hart met kracht en moed.
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/
Dat zul je wel gaan merken!
Dit vuur is vriendelijk en mild.
Hou vol, God zal je sterken.
Het werkt naar binnen met zijn gloed,
en vult je hart met kracht en moed.
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/
2.
Op ’t altaar brandt het vuur van God,
’t vormt elke held des Heren.
Geef jij je in Gods smeltershand?
Mag ’t vuur jouw ‘ik’ verteren?
Als ’t vuur je voorhangsel bereikt,
dring er doorheen dan, onder strijd!
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/
’t vormt elke held des Heren.
Geef jij je in Gods smeltershand?
Mag ’t vuur jouw ‘ik’ verteren?
Als ’t vuur je voorhangsel bereikt,
dring er doorheen dan, onder strijd!
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/
3.
Op ’t altaar brandt het vuur van God.
Nu moet je toch eens horen!
Geef alles prijs, het vuur brengt jou
daar waar het werd geboren:
de troon van God in Sions stad!
Als je gelooft, ervaar je dat.
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/
Nu moet je toch eens horen!
Geef alles prijs, het vuur brengt jou
daar waar het werd geboren:
de troon van God in Sions stad!
Als je gelooft, ervaar je dat.
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/
4.
Op ’t altaar brandt het vuur van God;
krijg ’t lief en ga ’t beleven!
Probeer het uit, het zal ook jou
leven en vrede geven.
Nu heb je over ’t vuur gehoord;
laat het nu branden, ongestoord!
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/
krijg ’t lief en ga ’t beleven!
Probeer het uit, het zal ook jou
leven en vrede geven.
Nu heb je over ’t vuur gehoord;
laat het nu branden, ongestoord!
/: Dat vuur zul jij bezitten! :/