108

Ik vaar al zeilend, sturend en peilend

1.
Ik vaar al zeilend, sturend en peilend
naar Sions berg, de hemelse kust.
’k Weet van geen wijken, ’k zal het bereiken;
al komt er strijd, ik koers heel bewust.
Dikwijls gaan zee en stormen tekeer,
wordt onze moed beproefd door het weer,
maar door ’t laveren en ’t manoeuvreren
werkt de wind mee, tot Gods eer!
2.
Vaak zijn er mensen die van je wensen
’n andere koers met wereldse zin.
Korach komt dreigen, wil zijn zin krijgen,
hij balt zijn vuisten, praat op je in.
Dan daalt de Heer in toorn naar de aard!
Geen van die heren wordt er gespaard.
Wat een gevolgen: allen verzwolgen!
Nu is de lucht opgeklaard.
3.
Mist maakt het varen vol van gevaren,
slechts het geloof loodst veilig ons schip.
Met open oren aanwijzing horen;
daarmee ontwijkt men branding en klip.
’t Gaat nu naar Sion op volle kracht;
Gods stem geleidt ons bij dag en nacht.
In ’t ruim beneden vaart veilig mede
Gods eigen kudde als vracht.
4.
Mensen met kuren, sterke naturen,
liggen nu dwars en morren in koor.
Maar bij die worst’ling komt er verlossing;
het wordt weer licht, de zon breekt weer door.
En de positie wordt nu bepaald;
men ziet wiens staf bloeit, welke ster straalt.
Zij moeten leren – niet tot hun ere
– dat buiten God alles faalt!
5.
Weer and’re tijden: windvlagen snijden,
IJzige kou en storm komt eraan.
Twijfel gaat knagen, doet mij vaak vragen:
“Krijgt soms de Satan zijn wil gedaan?”
Maar naar het Zuiden draait weer de wind;
de dooi valt in, de lente begint.
Met nieuwe moed weer, vorstelijk zeilweer.
Nu gaat het fijn voor de wind.
6.
Sion wordt zichtbaar; dat sterkt ons merkbaar;
wég de vermoeidheid, hoop drijft ons voort.
De vlag gehesen, God zij geprezen!
Haast zijn we thuis, de loods komt aan boord.
Abraham, Izak groeten verblijd.
Maaltijd met Jakob, heerlijke tijd.
Niemand kan keren ’t werk van de Here;
Jezus omarmt ons verblijd.
7.
Dan oordeelsmorgen! Niets blijft verborgen.
Hier zwijgt de leugenachtige geest.
Nu gaat de Rechter alles beslechten:
ieder krijgt loon, die trouw is geweest.
Wie trouw was hier, regeert met Hem mee
over tien steden, vijf of ook twee.
’t Gaat juist en eerlijk; wat wordt het heerlijk:
’t Godsrijk van blijdschap en vree!
8.
Nu zijn wij boven, laten wij loven
Jezus, de grootste loods die er is,
die ons bewaarde, ons leven spaarde
in storm en weerstand en duisternis!
Ginds klinkt de lofzang: Jezus is Heer!
Hij was de held hier, maar daar nog meer.
Door zijn beschikking nu de verkwikking:
Sion bereikt! Prijs de Heer!
Geschreven in 1918 door Johan O. Smith (gepubliceerd in 1920)Tekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ C