1.
Ik dank U, geliefde Heiland,
voor iedere zegening.
Onmogelijk kan ik tellen
al wat ik van U ontving.
Uw liefde omsloot mij teder
/: waarheen ik m’ ook wendd’ of ging. :/
voor iedere zegening.
Onmogelijk kan ik tellen
al wat ik van U ontving.
Uw liefde omsloot mij teder
/: waarheen ik m’ ook wendd’ of ging. :/
Refrein:
Ik dank U voor zonlichte dagen,
maar ook voor beproeving, mijn God.
’t Is alles voor mij tot zegen!
Ik dank U, ik dank U, mijn God.
maar ook voor beproeving, mijn God.
’t Is alles voor mij tot zegen!
Ik dank U, ik dank U, mijn God.
2.
Ik dank U, geliefde Heiland,
dat Gij mij vaak hebt bezeerd.
Mijn koppige wil te buigen,
dat heb ik daardoor geleerd.
Zo schonk U mij vreugd in ’t harte
/: en leven, zozeer begeerd. :/
dat Gij mij vaak hebt bezeerd.
Mijn koppige wil te buigen,
dat heb ik daardoor geleerd.
Zo schonk U mij vreugd in ’t harte
/: en leven, zozeer begeerd. :/
3.
Mijn lot ligt in uwe han - den;
ik dank U daarvoor, o Heer,
en al wat mijn weg zal kruisen,
dat zegent mij meer en meer.
Dank Heer, voor wat U doet komen,
/: ’t is ’t beste voor mij steeds weer. :/
ik dank U daarvoor, o Heer,
en al wat mijn weg zal kruisen,
dat zegent mij meer en meer.
Dank Heer, voor wat U doet komen,
/: ’t is ’t beste voor mij steeds weer. :/