1.
In Israëls leger zong David
’t overwinningslied krachtig en blij.
Hij loofde zijn God in verdrukking,
want hij wist de victorie nabij.
Ja, hij eerde zijn God met zijn citer
en met harpspel, met trommel en dans.
Met een lofzang trok hij op ten strijde
en behaalde de zege met glans.
’t overwinningslied krachtig en blij.
Hij loofde zijn God in verdrukking,
want hij wist de victorie nabij.
Ja, hij eerde zijn God met zijn citer
en met harpspel, met trommel en dans.
Met een lofzang trok hij op ten strijde
en behaalde de zege met glans.
2.
Voor zang in Gods huis zorgde David,
toen de ark op zijn plaats was gebracht.
Ja, toen was het uit met de twijfel,
en ’t geloof werd bevestigd met kracht.
Want hij zong van zijn erfdeel, zijn beker,
van zijn meetsnoer, zijn lieflijke lot.
Dat was alles wat hem hier behaagde,
want hij kende geen goed buiten God.
toen de ark op zijn plaats was gebracht.
Ja, toen was het uit met de twijfel,
en ’t geloof werd bevestigd met kracht.
Want hij zong van zijn erfdeel, zijn beker,
van zijn meetsnoer, zijn lieflijke lot.
Dat was alles wat hem hier behaagde,
want hij kende geen goed buiten God.
3.
Loof God nu, gij hemel der heem’len,
alle eng’len, zijn leger tezaam!
Loof God nu, gij lichtende sterren,
zon en maan, loof zijn heilige naam.
Loof de Here, gij volken der aarde,
al wat adem heeft, prijze Hem blij.
Als een lofzang uw hart gaat vervullen,
krijgt u hulp in de nood, u wordt vrij.
alle eng’len, zijn leger tezaam!
Loof God nu, gij lichtende sterren,
zon en maan, loof zijn heilige naam.
Loof de Here, gij volken der aarde,
al wat adem heeft, prijze Hem blij.
Als een lofzang uw hart gaat vervullen,
krijgt u hulp in de nood, u wordt vrij.