1.
O, wat goed is het om klein te wezen,
als een kind bij moeder op haar schoot;
’t is niet zelfbewust en heeft geen kennis
van een strijd om hoog te zijn en groot.
Stel je voor, zo rein en zo onschuldig,
met een blik waaruit de hemel straalt.
Niet geboeid door roem en eer en voordeel,
aardse dingen waar het niet naar taalt.
als een kind bij moeder op haar schoot;
’t is niet zelfbewust en heeft geen kennis
van een strijd om hoog te zijn en groot.
Stel je voor, zo rein en zo onschuldig,
met een blik waaruit de hemel straalt.
Niet geboeid door roem en eer en voordeel,
aardse dingen waar het niet naar taalt.
Refrein:
Kijk, het kind lacht zo tevreden,
heeft geen “ik” dat slim en zeker is.
Waar volwassenen in dwaasheid twijf’len,
heeft het kind ’t geloofsgeheimenis.
heeft geen “ik” dat slim en zeker is.
Waar volwassenen in dwaasheid twijf’len,
heeft het kind ’t geloofsgeheimenis.
2.
Jezus nam een heel klein kind als voorbeeld,
bij de mensen waar Hij tussen stond.
Want Hij zag hoe zij gevangen waren,
hoe een net van ongeloof hen bond.
Met hun trotse en volwassen denken,
ja, zo stonden zij daar bij de Heer.
In het bolwerk van hun eigen wijsheid,
keken zij vanuit de hoogte neer.
bij de mensen waar Hij tussen stond.
Want Hij zag hoe zij gevangen waren,
hoe een net van ongeloof hen bond.
Met hun trotse en volwassen denken,
ja, zo stonden zij daar bij de Heer.
In het bolwerk van hun eigen wijsheid,
keken zij vanuit de hoogte neer.
Refrein:
Nooit en nimmer, nooit en nimmer,
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
3.
Ja, volwass’nen hebben veel problemen,
zoeken steeds zichzelf en eigen winst.
En dan mopperen ze en ze klagen:
niets is goed en niets is naar de zin.
De problemen worden almaar groter,
want mijn recht, daar denkt eenieder aan;
en men wil het laatste woord ook hebben.
Maar waar komt die wijsheid toch vandaan?
zoeken steeds zichzelf en eigen winst.
En dan mopperen ze en ze klagen:
niets is goed en niets is naar de zin.
De problemen worden almaar groter,
want mijn recht, daar denkt eenieder aan;
en men wil het laatste woord ook hebben.
Maar waar komt die wijsheid toch vandaan?
Refrein:
Nooit en nimmer, nooit en nimmer,
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
4.
Wat verdrietig, als ook broeders twisten,
door hun grote domme “ik” misleid.
Hoog te paard en wijs in eigen ogen,
heel ver weg van elke need’righeid.
Ach en wee, hoe zal hun einde wezen?
Geve God dat zij begrijpen gaan:
er is grondige bekering nodig,
anders blijft men eeuwig buiten staan.
door hun grote domme “ik” misleid.
Hoog te paard en wijs in eigen ogen,
heel ver weg van elke need’righeid.
Ach en wee, hoe zal hun einde wezen?
Geve God dat zij begrijpen gaan:
er is grondige bekering nodig,
anders blijft men eeuwig buiten staan.
Refrein:
Nooit en nimmer, nooit en nimmer,
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
5.
Ooit was ik ook klein en nog onschuldig,
wist niet van een “ik” met al zijn kwaad.
Maar ik leerde bij het groter worden:
het is zaak dat je je gelden laat.
En toen zette ik mijn hart wat open
voor de wijsheid die de wereld biedt.
Maar dat bracht mij niets dan nood en tranen.
Nee, volwassen zijn, dat hielp me niet!
wist niet van een “ik” met al zijn kwaad.
Maar ik leerde bij het groter worden:
het is zaak dat je je gelden laat.
En toen zette ik mijn hart wat open
voor de wijsheid die de wereld biedt.
Maar dat bracht mij niets dan nood en tranen.
Nee, volwassen zijn, dat hielp me niet!
Refrein:
Nooit en nimmer, nooit en nimmer,
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
komen zulke mensen Gods rijk in.
Velen trachten het, maar niemand komt daar,
voor ze worden als dat kleine kind.
6.
Lof en dank, dat wij te horen krijgen:
ieder kan weer worden als een kind.
Jezus zegt ons wat ons dan te doen staat,
wil dat elk van ons de hemel vindt.
Kom, bekeer je van volwassen denken!
Acht jezelf toch heel gering en klein!
Rust en blijdschap zal je hart vervullen,
als je weer dat kleine kind wilt zijn.
ieder kan weer worden als een kind.
Jezus zegt ons wat ons dan te doen staat,
wil dat elk van ons de hemel vindt.
Kom, bekeer je van volwassen denken!
Acht jezelf toch heel gering en klein!
Rust en blijdschap zal je hart vervullen,
als je weer dat kleine kind wilt zijn.
Refrein:
Kijk, het kind lacht zo tevreden,
heeft geen “ik” dat slim en zeker is.
Waar volwassenen in dwaasheid twijf’len,
heeft het kind ’t geloofsgeheimenis.
heeft geen “ik” dat slim en zeker is.
Waar volwassenen in dwaasheid twijf’len,
heeft het kind ’t geloofsgeheimenis.