1.
In de duisternis op aarde dwalen herders af van ’t pad;
kind en zuigeling versmachten op de pleinen van de stad.
Wee de herder die Gods recht buigt, zorgeloos de beker heft,
zich luchthartig niet bekommert om de ramp die Jozef treft!
(Klaagl. 2:11-12 | Amos 6:6)
kind en zuigeling versmachten op de pleinen van de stad.
Wee de herder die Gods recht buigt, zorgeloos de beker heft,
zich luchthartig niet bekommert om de ramp die Jozef treft!
(Klaagl. 2:11-12 | Amos 6:6)
2.
Wee hen die ernaar verlangen dat Gods dag er weldra is!
Want die dag wordt door hun leugens straks voor hen tot duisternis.
Wie wil nu het land beschermen, wie wil in de bres gaan staan
om Gods toorn alsnog te keren, en zijn wegen weer te gaan?
(Amos 5:18)
Want die dag wordt door hun leugens straks voor hen tot duisternis.
Wie wil nu het land beschermen, wie wil in de bres gaan staan
om Gods toorn alsnog te keren, en zijn wegen weer te gaan?
(Amos 5:18)
3.
’t Licht moet nu op heel de aarde schijnen op de kandelaar,
als een oordeelslicht in ’t duister, niet onder de korenmaat!
’t Ware licht is onvergank’lijk, want zijn bronnen zijn in God.
Het wijkt niet voor boze machten, ’t is verankerd in ’t gebod.
als een oordeelslicht in ’t duister, niet onder de korenmaat!
’t Ware licht is onvergank’lijk, want zijn bronnen zijn in God.
Het wijkt niet voor boze machten, ’t is verankerd in ’t gebod.