1.
O jong’renschare, treed nu aan,
wees vreugdevol en sterk.
Het werk des Heren breekt nu baan,
ja, groot is ’s Heren werk.
/: Betreed zijn weg met vaste voet,
bekleed je met zijn gloed. :/
wees vreugdevol en sterk.
Het werk des Heren breekt nu baan,
ja, groot is ’s Heren werk.
/: Betreed zijn weg met vaste voet,
bekleed je met zijn gloed. :/
Refrein:
Ja, zie, Gods jeugd is schoon,
zij nadert tot Gods Zoon.
Zij loopt in waardigheid en kracht,
omdat zij Hem verwacht.
Zij vreest geen smaad of hoon,
ziet steeds op ’s Vaders Zoon,
die rood van bloed uit Bozra schreed,
vol kracht alleen daar streed.
zij nadert tot Gods Zoon.
Zij loopt in waardigheid en kracht,
omdat zij Hem verwacht.
Zij vreest geen smaad of hoon,
ziet steeds op ’s Vaders Zoon,
die rood van bloed uit Bozra schreed,
vol kracht alleen daar streed.
2.
De pers betrad Hij heel alleen,
in toorn en grimmigheid.
Maar in Hem was er enkel vree,
slechts lof en heerlijkheid.
/: O jeugd, treed aan en kom tot Hem
en luister naar zijn stem. :/
in toorn en grimmigheid.
Maar in Hem was er enkel vree,
slechts lof en heerlijkheid.
/: O jeugd, treed aan en kom tot Hem
en luister naar zijn stem. :/
3.
Reeds jong heeft David in zijn Heer
geloof en kracht gehad.
In Hem versloeg hij leeuw en beer,
ja zelfs een Goliat,
/: stond voor zijn God geheel in brand
en bracht zo vree in ’t land. :/
geloof en kracht gehad.
In Hem versloeg hij leeuw en beer,
ja zelfs een Goliat,
/: stond voor zijn God geheel in brand
en bracht zo vree in ’t land. :/