1.
Wij zijn zalig hier op aarde,
jeugd, prijs God daarvoor altijd.
Onze vree heeft groter waarde
dan all’ aardse heerlijkheid.
Door geen mens wordt z’ ons ontnomen,
zij is peilloos diep en rein.
Wat ons ook mag overkomen,
God kan onze vreugd steeds zijn.
jeugd, prijs God daarvoor altijd.
Onze vree heeft groter waarde
dan all’ aardse heerlijkheid.
Door geen mens wordt z’ ons ontnomen,
zij is peilloos diep en rein.
Wat ons ook mag overkomen,
God kan onze vreugd steeds zijn.
2.
Als wij Gods woord doen eendrachtig,
wordt gerechtigheid ons deel.
Die is groot en sterk en krachtig.
’t Aardse gaat teniet, geheel.
Wat men moge schrijven, spreken
tegen ’t leger Gods, zo klein:
’t zal zichzelf voorzeker wreken.
Immers God zal met ons zijn.
wordt gerechtigheid ons deel.
Die is groot en sterk en krachtig.
’t Aardse gaat teniet, geheel.
Wat men moge schrijven, spreken
tegen ’t leger Gods, zo klein:
’t zal zichzelf voorzeker wreken.
Immers God zal met ons zijn.
3.
Jeugd, dien God toch naar vermogen.
Wees een man! Dien Hem geheel.
Jaag vooruit. Hou ’t doel voor ogen.
Schatten Gods zijn dan je deel.
Alles toch ziet God, de Here,
Hij die trouw beloont en deugd.
Jij mag met de Heer verkeren.
Zie, steeds groter wordt je vreugd.
Wees een man! Dien Hem geheel.
Jaag vooruit. Hou ’t doel voor ogen.
Schatten Gods zijn dan je deel.
Alles toch ziet God, de Here,
Hij die trouw beloont en deugd.
Jij mag met de Heer verkeren.
Zie, steeds groter wordt je vreugd.