1.
Wie Jezus op aard wil gelijken,
geev’ acht op zijn daad en zijn woord.
In Hem had de Vader behagen,
Hij werd om zijn godsvrucht verhoord,
verkondigde ’t rijk van de hemel,
liet zondegebondenen vrij.
Ja, ziekte en nood moesten wijken,
als Jezus daar zelf ging voorbij.
geev’ acht op zijn daad en zijn woord.
In Hem had de Vader behagen,
Hij werd om zijn godsvrucht verhoord,
verkondigde ’t rijk van de hemel,
liet zondegebondenen vrij.
Ja, ziekte en nood moesten wijken,
als Jezus daar zelf ging voorbij.
2.
Als iedereen rustig ging slapen,
ging Jezus de berg op en bad.
Daar kreeg Hij van God in ’t verborg’ne
de kracht die Hij dagelijks had.
Zo helder en klaar was zijn spreken.
’t Gebeurde precies naar zijn wil:
de wind en de zee gingen liggen,
terstond toen Hij zei: Zwijg, wees stil!
ging Jezus de berg op en bad.
Daar kreeg Hij van God in ’t verborg’ne
de kracht die Hij dagelijks had.
Zo helder en klaar was zijn spreken.
’t Gebeurde precies naar zijn wil:
de wind en de zee gingen liggen,
terstond toen Hij zei: Zwijg, wees stil!
3.
Met macht trad Hij op in de tempel:
“Is dit hier een huis voor mijn God?”
Zijn ijver verdreef de verkopers;
de wisselaars deelden dat lot.
De harten der huichelaars kwamen
door ’t oordelend woord in het licht.
Ze knarsten hun tanden van boosheid,
en doodshaat lag op hun gezicht.
“Is dit hier een huis voor mijn God?”
Zijn ijver verdreef de verkopers;
de wisselaars deelden dat lot.
De harten der huichelaars kwamen
door ’t oordelend woord in het licht.
Ze knarsten hun tanden van boosheid,
en doodshaat lag op hun gezicht.
4.
Hij zocht niet de hulde der massa,
Hij zocht de verslaag’nen van geest.
Hij wees hun zijn weg en zijn leven;
zij kenden zijn hand, die geneest.
Hij zag naar de nood van de mensen en weende;
onzegbaar was ’t leed
waarmee Hij zijn ziel in de dood gaf,
voor zondaars ten einde toe streed.
Hij zocht de verslaag’nen van geest.
Hij wees hun zijn weg en zijn leven;
zij kenden zijn hand, die geneest.
Hij zag naar de nood van de mensen en weende;
onzegbaar was ’t leed
waarmee Hij zijn ziel in de dood gaf,
voor zondaars ten einde toe streed.
5.
Hij oordeelde niet naar het aanzien,
maar woog slechts de geest van elkeen;
Hij maakte naar ’t vlees zich geen vrienden,
ja zond zijn familie zelfs heen!
De leeuw werd een lam dat ter slachtbank
geduldig en stom werd gebracht.
Aan ’t kruis met zijn pijnen en schande
werd Gods kracht in zwakheid volbracht.
maar woog slechts de geest van elkeen;
Hij maakte naar ’t vlees zich geen vrienden,
ja zond zijn familie zelfs heen!
De leeuw werd een lam dat ter slachtbank
geduldig en stom werd gebracht.
Aan ’t kruis met zijn pijnen en schande
werd Gods kracht in zwakheid volbracht.
6.
“Een lichaam hebt Gij Mij gegeven:
die graankorrel moet in de dood.
Een wil kreeg Ik, om die te off’ren;
uw wil doen, o God, is mijn brood!
” Gezaaid wordt er immers in zwakheid,
de opstanding komt vol van kracht.
Het zaaien gaat wenend, in oneer,
’t verrijzen in godd’lijke pracht!
die graankorrel moet in de dood.
Een wil kreeg Ik, om die te off’ren;
uw wil doen, o God, is mijn brood!
” Gezaaid wordt er immers in zwakheid,
de opstanding komt vol van kracht.
Het zaaien gaat wenend, in oneer,
’t verrijzen in godd’lijke pracht!