150

Het groot’ is u onmoog’lijk, het kleine wilt u niet

1.
Het groot’ is u onmoog’lijk, het kleine wilt u niet;
ligt er dan wel vooruitgang voor u in het verschiet?
U wordt al moe van ’t lopen naast wie Gods wegen gaan;
hoe kunt u dan toch menen met vaart de weg te gaan?
2.
U bent nog bang voor mensen die slechts uit stof bestaan;
hoe denkt u dan toch ooit boze machten te weerstaan?
U wilt geen lasten dragen en ’t lijden wilt u vliên;
dan wordt het toch onmoog’lijk Gods heerlijkheid te zien?
3.
U wilt op Jezus lijken, maar zelf ook zijn geëerd;
kunt u dan echt geloven dat u het off’ren leert?
U wilt graag onderwijzen, alsof u ’t zelf al kon;
hebt u dan wel verbinding met d’ eeuw’ge Levensbron?
4.
Wel roemen in de Wet, maar niet houden haar gebod!
Hoe denkt u zo rechtvaardig te kunnen zijn voor God?
Let liever op het kleine, dat u terloops ontmoet,
en houd u bij ’t geringe. Juist dat past u zo goed.
5.
Bewandel blij Gods wegen, veracht het kleine niet.
Het grootste blijkt te wezen wat Gods gebod ons biedt.
Gods ogen zien van boven, wees daarom niet bevreesd;
Hij kan geheel verlossen wie arm is in zijn geest.
Geschreven door Karl Martinsen (gepubliceerd in 1929)Tekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ G