1.
Jezus’ spreken is duid’lijk, voorwaar!
Maar hebt u ’t goede antwoord wel klaar?
Wat zegt u: is het ja of is ’t neen?
O, waar leiden uw wegen toch heen?
Maar hebt u ’t goede antwoord wel klaar?
Wat zegt u: is het ja of is ’t neen?
O, waar leiden uw wegen toch heen?
Refrein:
Bent u koud, heet of warm?
Bent u levend of dood, rijk of arm?
Hebt u lust, geest en moed
om het kwaad te verplett’ren voorgoed?
Bent u levend of dood, rijk of arm?
Hebt u lust, geest en moed
om het kwaad te verplett’ren voorgoed?
2.
’t Is Gods Geest, die bijeenbrengt tot God,
ons tot leven brengt in zijn gebod.
Broeder, zuster, brengt u ook bijeen,
of verstrooit u Gods volk hier beneên?
ons tot leven brengt in zijn gebod.
Broeder, zuster, brengt u ook bijeen,
of verstrooit u Gods volk hier beneên?
3.
Is de stralende reinheid uw kleed?
Is uw hart als Gods tempel gereed?
Wordt er iets nog in ’t duister verricht,
of brengt u ied’re afgod in ’t licht?
Is uw hart als Gods tempel gereed?
Wordt er iets nog in ’t duister verricht,
of brengt u ied’re afgod in ’t licht?
4.
Het is zonde of lijden, voorwaar.
Hem, die lijdt hier, wacht heerlijkheid daar.
Kies de weg van het lijden beneên,
daar waar elk tot de zonde zegt: Neen!
Hem, die lijdt hier, wacht heerlijkheid daar.
Kies de weg van het lijden beneên,
daar waar elk tot de zonde zegt: Neen!
5.
Kom, zing mee in der heiligen koor,
in uw spreken klinkt zege dan door.
Alle wanklank houdt op te bestaan.
Het is zeker en vast. Het zal gaan!
in uw spreken klinkt zege dan door.
Alle wanklank houdt op te bestaan.
Het is zeker en vast. Het zal gaan!
Refrein:
Het zal gaan! Het zal gaan!
om vol ijver in brand steeds te staan.
U kunt steeds, vol van moed,
overwinnen de zonde voorgoed!
om vol ijver in brand steeds te staan.
U kunt steeds, vol van moed,
overwinnen de zonde voorgoed!