279

Haat je ’t godd’lijk gebod, dan veracht jij jouw God,

1.
Haat je ’t godd’lijk gebod, dan veracht jij jouw God,
en de wereld krijgt invloed op jou.
/: Geef je leven aan God! Hij bestuurt toch jouw lot;
Hij is machtig en door en door trouw. :/
2.
Ik zocht lang en met smart vree en rust voor mijn hart,
maar God zag mijn verlangen en nood;
/: en Hij heeft mij gebracht op de weg, zo veracht,
die mij redding en zaligheid bood. :/
3.
Elke broeder die zucht, liefst de zonde ontvlucht,
redt Hij graag, zo Hij mij heeft gedaan.
/: Ja, Hij zelf staat je bij, en dan zeg je zo blij:
“Die verachte weg, Heer, wil ik gaan.” :/
4.
Jij die hoogten bewoont, en daarginds eenzaam troont,
in de hoogte is geen zaligheid.
/: Hier beneden slechts vindt elk die wordt als een kind
deze weg, waarop God ons bevrijdt. :/
5.
Ons getal is maar klein; ach, laat dat maar zo zijn,
maar ik word hier met liefde omringd.
/: Wie op Jezus vertrouwt, op zijn Redder slechts bouwt,
die wordt werk’lijk zo blij als een kind. :/
Geschreven door Pauli Sander (gepubliceerd in 1937)Gecomponeerd door Pauli SanderTekst en melodie © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ E