1.
Krachtig klinkt het woord des Heren!
’t Wil ons Christus’ deugden leren.
/: Hij werpt hemels vuur op aard,
’t reinigt, niets wordt er gespaard. :/
’t Wil ons Christus’ deugden leren.
/: Hij werpt hemels vuur op aard,
’t reinigt, niets wordt er gespaard. :/
2.
Trouw gaan wij ons eigen leven
in dit vuur als offer geven,
/: sparen ’t eigen leven niet,
wat ons zuiv’re olie biedt. :/
in dit vuur als offer geven,
/: sparen ’t eigen leven niet,
wat ons zuiv’re olie biedt. :/
3.
Wil ons heil als lichtglans opgaan,
moet ons eigen ik in brand staan.
/: Wie een offerleven leidt,
heeft een lamp die licht verspreidt. :/
moet ons eigen ik in brand staan.
/: Wie een offerleven leidt,
heeft een lamp die licht verspreidt. :/
4.
Je moet zelf je eigen leven
dagelijks als offer geven;
/: olie is er voor elkeen,
maar ’t is niet zomaar te leen. :/
dagelijks als offer geven;
/: olie is er voor elkeen,
maar ’t is niet zomaar te leen. :/
5.
’t Heil gaat als een fakkel branden
nu wij, rein van mond en handen,
/: met een hart dat eerlijk strijdt,
leven in gerechtigheid. :/
nu wij, rein van mond en handen,
/: met een hart dat eerlijk strijdt,
leven in gerechtigheid. :/
6.
Deze wandel is tot ere:
sieraad voor de leer des Heren,
/: het bewijs voor iedereen:
Jezus’ heiligen zijn één! :/
sieraad voor de leer des Heren,
/: het bewijs voor iedereen:
Jezus’ heiligen zijn één! :/