1.
Niet in woorden bestaat ’t rijk van God,
maar gerechtigheid, blijdschap en vreê.
Hij, die machtigen stort van hun troon,
geeft zijn rijk slechts aan armen van geest.
maar gerechtigheid, blijdschap en vreê.
Hij, die machtigen stort van hun troon,
geeft zijn rijk slechts aan armen van geest.
Refrein:
Nee, Gods rijk wankelt niet.
Nee, het koninkrijk Gods wankelt niet!
’t Is niet hier, ’t is niet daar, want die schat,
dragen wij hier in ons aarden vat.
Nee, het koninkrijk Gods wankelt niet!
’t Is niet hier, ’t is niet daar, want die schat,
dragen wij hier in ons aarden vat.
2.
Ja, dit rijk nemen wij in bezit,
door een levend en werkzaam geloof.
En de godd’lijke rust wordt ons deel,
door voortdurende strijd in geloof.
door een levend en werkzaam geloof.
En de godd’lijke rust wordt ons deel,
door voortdurende strijd in geloof.
3.
Ja, wij moeten door oordeel en druk,
door een vuur, dat verteert, door en door,
om Gods heiligdom binnen te gaan.
Vader, geef ons uw kracht nu daarvoor.
door een vuur, dat verteert, door en door,
om Gods heiligdom binnen te gaan.
Vader, geef ons uw kracht nu daarvoor.
4.
En dit rijk zal voor eeuwig bestaan.
Wie rechtvaardig is heerst dan met Hem.
Al wat hoog is en groot zal vergaan.
Hoog verheven is God daar alleen.
Wie rechtvaardig is heerst dan met Hem.
Al wat hoog is en groot zal vergaan.
Hoog verheven is God daar alleen.
5.
Dank, o Jezus, U baande de weg.
’t Is uw heerlijkheid die ons verkoor,
om met U één te zijn in uw dood.
Dank, o Here en Meester, daarvoor.
’t Is uw heerlijkheid die ons verkoor,
om met U één te zijn in uw dood.
Dank, o Here en Meester, daarvoor.