62

Kom, dat ik de bruid u tone

1.
Kom, dat ik de bruid u tone:
vrouw van ’t Lam, de rein’ en schone.
Draagt des Heren teek’nen mee,
met Hem lijdt zij hier benee.
(Gal. 6:17)
2.
Z’ is gering en toch verheven.
Wie ziet schoonheid in zo’n leven?
Toegedekt met schand’ en spot,
schuilt ze weg in ’t lam van God.
3.
En als and’ren jub’len, spelen,
wil z’ in Christus’ lijden delen.
’s Heren altaar is de stee,
waar zij leven vindt en vree.
(Joh. 12:24-25)
4.
Snel gaat zij de weg ten hemel:
tot de rust in, uit ’t gewemel.
Niets wil zij ten eigendom.
Slechts bemint z’ haar bruidegom.
5.
Van Gods liefd’ in Christus scheiden
kan geen macht haar: dood noch lijden.
Z’ is, als slachtschaap met haar Heer,
overwinnaar, ja zelfs meer.
(Rom. 8:35-39)
Geschreven door Mary Pedersen (gepubliceerd in 1916)Tekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ A