235

De Here heeft eens Isr’el uit slavernij bevrijd

1.
De Here heeft eens Isr’el uit slavernij bevrijd
en met een sterke arm ’t land Egypte uitgeleid.
Zij liepen droog en veilig dwars door de Rode Zee,
de vijand zou verdrinken; de paarden, ruiters mee.
(Ex. 14)
2.
Nu waren zij verlost, maar nog niet in Kanaän.
Ze trokken daarom voort naar ’t beloofde goede land.
Snel waren ze in Elim. Daar was een overvloed
aan palmen en aan bronnen, het water smaakte zoet.
(Ex. 15:27)
3.
Hier vonden ze het heerlijk, maar ’t was geen Kanaän.
Dus trokken ze weer verder naar ’t kostelijke land.
Toen regende het manna en vlees in de woestijn,
toch kon dat niet de juiste verblijfplaats voor hen zijn.
(Ex. 16)
4.
Bij Horeb kreeg men wetten en grote heerlijkheid.
Maar God gebood: “Trek op naar het land, nu is het tijd!”
Twaalf man bespioneerden het land, heel Kanaän,
dat vloeit van melk en honing, al wat men wensen kan.
(Ex. 19-33:1 | Num. 13)
5.
Men was nog bij de doortocht eendrachtig naar het scheen.
Helaas, nu bleek het duid’lijk: het volk was lang niet één!
Tien van de twaalf vertelden: “Het land is best wel goed,
maar sterk is ook de vijand, ’k heb reuzen daar ontmoet!”
(Num. 13:27-31)
6.
En alle moed ontzonk nu zeshonderdduizend man,
die wilden weer naar huis toe, en niet naar Kanaän.
Maar Jozua en Kaleb vertrouwden op hun God,
zij wilden trouw Hem volgen, maar werden slechts bespot.
(Num. 1:45-46; 14:1-8)
7.
“Al zijn ze nog zo talrijk en ook nog reuze groot,
wij zullen ze verjagen, de vijand wordt gedood!”
Nu scheidden zich de wegen van wie God had bevrijd!
Het merendeel moest sterven; een rest trok op ten strijd.
(Num. 14:9, 19-24, 29-30 | 1 Kor. 10:5)
8.
Zoals ze vroeger allen de zee door konden gaan,
trok Jozua met Kaleb nadien door de Jordaan!
Zij stopten niet in Gilgal, maar namen Jericho.
In ’s Heren naam werd Ai toen verslagen evenzo.
9.
Makkeda, daarna Libna, werd helemaal vernield.
Het volk vocht om te winnen, werd door geloof bezield.
Koning na koning viel en moest sterven door hun hand.
Zo, door geloofsstrijd, namen zij heel het goede land.
(Joz. 10:28-43 | 1 Tim. 6:12 | 2 Petr. 3:11)
10.
Wel meer dan dertig koningen werden overmand.
Al bleven er veel over, toch was het reeds hun land!
Nu eten ze de vruchten, geoogst op eigen grond,
mits zij Gods wet bewaren, zich houden aan ’t verbond.
11.
Zoals het was in die tijd, zo is het ook vandaag:
geloof is voor de massa gewoon één grote vraag.
Ze zijn wel uit Egypte, maar niet in Kanaän:
Vergeving? Ja! Maar zege, daar is geen sprake van!
(1 Kor. 10:1-11 | Hebr. 3:18-19 | Rom. 4:5 | 1 Joh. 2:6, 29)
12.
In Jozua en Kaleb was toen een and’re geest.
Ook nu zijn er maar weinig volkomen trouw geweest.
Die houden ’t vlees gekruisigd, gaan overwinnend voort.
Hun leven en hun spreken wordt steeds meer als Gods Woord.
(Num. 14:24 | 2 Tim. 2:2 | Op. 17:14 | Gal. 2:20 | 1 Tim. 4:12, 15)
Geschreven door Elias Aslaksen (gepubliceerd in 1932)Gecomponeerd door Even SkogsrudTekst en melodie © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ C