1.
Nietig, ellendig en zwak is de bruid.
Zo juist koos Christus, haar bruigom, haar uit.
Eenzaam, ontmoedigd soms, weinig geacht,
en ook heeft haar roeping haar lijden gebracht.
Hij is zo goed en zo rein en rechtvaardig,
zij zo armzalig, gering en onwaardig.
Zo juist koos Christus, haar bruigom, haar uit.
Eenzaam, ontmoedigd soms, weinig geacht,
en ook heeft haar roeping haar lijden gebracht.
Hij is zo goed en zo rein en rechtvaardig,
zij zo armzalig, gering en onwaardig.
2.
Zij is op aarde een vreemde geweest,
kent haar ellende, zelfs tijdens een feest.
Is er wel één goede vriend die vermoedt
hoe pijnlijk en hevig haar hart telkens bloedt?
Wie hoort haar hart onuitsprekelijk zuchten,
waar zij in stilte ’t rumoer wil ontvluchten?
kent haar ellende, zelfs tijdens een feest.
Is er wel één goede vriend die vermoedt
hoe pijnlijk en hevig haar hart telkens bloedt?
Wie hoort haar hart onuitsprekelijk zuchten,
waar zij in stilte ’t rumoer wil ontvluchten?
3.
“Let er niet op dat mijn huid is verbrand.
Fel scheen de zon bij het werk op het land.
Wreed werd mijn leven, mijn ‘ik’ blootgelegd.
O wanneer, mijn Here, verschaft U mij recht?
’k Zou als een schitterend licht willen schijnen;
moet ik nu achter een sluier verdwijnen?”
Fel scheen de zon bij het werk op het land.
Wreed werd mijn leven, mijn ‘ik’ blootgelegd.
O wanneer, mijn Here, verschaft U mij recht?
’k Zou als een schitterend licht willen schijnen;
moet ik nu achter een sluier verdwijnen?”
4.
“Liefelijk ben je, mijn bruid, gezellin.
Ik stel je voor aan mijn God, mijn vriendin.
Zwaar lijkt de tijd van beproeving en druk,
maar die is slechts kort bij je eeuwig geluk.
Draag dan de oneer en tucht zonder klagen,
dan zul je eeuwig mijn kroon mogen dragen.”
Ik stel je voor aan mijn God, mijn vriendin.
Zwaar lijkt de tijd van beproeving en druk,
maar die is slechts kort bij je eeuwig geluk.
Draag dan de oneer en tucht zonder klagen,
dan zul je eeuwig mijn kroon mogen dragen.”