116

Elk lichaamsdeel is voor het dienen gegeven

1.
Elk lichaamsdeel is voor het dienen gegeven
en hulp heeft elk nodig, zij ’t groot dan wel klein.
Een lid op zichzelf kan voorzeker niet leven;
want slechts in het lichaam kan het pas iets zijn.
Refrein:
Bent u een lid van Christus’ lichaam,
zodat u uw dienst daar kent?
Bent u een lid van Christus’ lichaam?
Werk dan mee, zoals u bent.
2.
Elk lid in ’t bijzonder zijn gaven gegeven:
de aanleg die passend is voor zijn bestaan.
Het is onontbeerlijk voor ’t lichaam in ’t leven.
En geen kan zelfstandig zijn eigen weg gaan!
3.
Een lid wil nooit méér zijn dan andere leden;
het wil ook niet anders zijn dan zoals ’t is.
Het is met zijn dienst en zijn eer zeer tevreden.
Ja, elk heeft genoeg aan zichzelf, heel gewis!
4.
Ja, alles verloopt zo natuurlijk en stille,
met wisselend dienstbetoon, soepel en fris.
Men is ook ontvank’lijk voor hulp van elkander
en niet onafhankelijk, wie het ook is.
Geschreven door Arne Velten (gepubliceerd in 1960)Gecomponeerd door Daniel B. TownerTekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ C