1.
’t Grote Babylon zal dra vergaan.
Tot de hemel reikt haar schuld.
Vorsten hebben zich daar zelfvoldaan
rijk verzadigd, onverhuld.
O mijn volk, mijn volk, ga uit haar vandaan
om tot God, uw God, te gaan.
Voor de hoon en spot nu tegen God
is straks dubb’le straf haar lot.
Tot de hemel reikt haar schuld.
Vorsten hebben zich daar zelfvoldaan
rijk verzadigd, onverhuld.
O mijn volk, mijn volk, ga uit haar vandaan
om tot God, uw God, te gaan.
Voor de hoon en spot nu tegen God
is straks dubb’le straf haar lot.
Refrein:
Heil’gen, wees verheugd,
hemel, toon uw vreugd;
juich, profeten, tot Gods eer!
Want zij wordt veroordeeld door de Heer
en haar plaats vindt niemand meer!
hemel, toon uw vreugd;
juich, profeten, tot Gods eer!
Want zij wordt veroordeeld door de Heer
en haar plaats vindt niemand meer!
2.
’t Bloed der heil’gen, trouw tot in de dood,
bloed der lammeren van God
wordt gevonden in haar valse schoot.
Welk een schande, hoon en spot!
Met vrijpostigheid trad zij op altijd,
heeft brutaal Gods volk verleid.
Honger, smart en dood zijn straks haar brood:
God spreekt recht en Hij is groot!
bloed der lammeren van God
wordt gevonden in haar valse schoot.
Welk een schande, hoon en spot!
Met vrijpostigheid trad zij op altijd,
heeft brutaal Gods volk verleid.
Honger, smart en dood zijn straks haar brood:
God spreekt recht en Hij is groot!
3.
Elk die kwaadspreekt, steelt of liegt of moordt,
woont in Babel, stad van ’t kwaad.
’t Krachtig oordeel van het licht van ’t woord
is in Babylon gehaat.
Zij zegt: “Sterven moet wie de waarheid doet.”
Dát is Babel, kort en goed:
“Beter Eén gedood dan ’t volk in nood,”
is de liefde, die zij bood.
woont in Babel, stad van ’t kwaad.
’t Krachtig oordeel van het licht van ’t woord
is in Babylon gehaat.
Zij zegt: “Sterven moet wie de waarheid doet.”
Dát is Babel, kort en goed:
“Beter Eén gedood dan ’t volk in nood,”
is de liefde, die zij bood.