1.
O edel, godd’lijk liefdevuur,
wie kan u recht omschrijven?
Uw spreken zal als milde dauw
verkwikkend achterblijven
bij wie gekweld is door berouw
en diep terneergeslagen.
U troost wie in ’t beproevingsvuur
de hitte moet verdragen.
wie kan u recht omschrijven?
Uw spreken zal als milde dauw
verkwikkend achterblijven
bij wie gekweld is door berouw
en diep terneergeslagen.
U troost wie in ’t beproevingsvuur
de hitte moet verdragen.
2.
De ware liefde wil altijd
zichzelf als eerste geven.
Ook God heeft ons eerst liefgehad;
maar ’t vlees wil zo niet leven.
In ootmoed, in een stille geest
heeft zij haar plaats gevonden,
En hen die zuchten zoekt zij op,
juist hen die zijn gebonden.
zichzelf als eerste geven.
Ook God heeft ons eerst liefgehad;
maar ’t vlees wil zo niet leven.
In ootmoed, in een stille geest
heeft zij haar plaats gevonden,
En hen die zuchten zoekt zij op,
juist hen die zijn gebonden.
3.
Het eerste ware liefdevuur
blijft werk’lijk zuiver branden.
Waar zij het roer in handen heeft,
daar groeien eenheidsbanden.
In haar is geen verbittering,
van wrok wil zij niet weten.
Zij ziet een speldenprik voorbij,
die is al gauw vergeten.
blijft werk’lijk zuiver branden.
Waar zij het roer in handen heeft,
daar groeien eenheidsbanden.
In haar is geen verbittering,
van wrok wil zij niet weten.
Zij ziet een speldenprik voorbij,
die is al gauw vergeten.
4.
Wij moeten in dit liefdevuur
te allen tijd verkeren,
door haar bescheiden, reine weg
ons laten inspireren,
ja, boven alles wat wij doen
onszelf met haar bekleden.
Dan heb je lief zoals ’t behoort,
en bent tot vreugd en vrede.
te allen tijd verkeren,
door haar bescheiden, reine weg
ons laten inspireren,
ja, boven alles wat wij doen
onszelf met haar bekleden.
Dan heb je lief zoals ’t behoort,
en bent tot vreugd en vrede.