1.
Ik wil nooit de donk’re wereld in,
vol verderf en dood en haat en nijd.
Slaaf der zonde word ik evenmin.
Wie zoekt ooit moedwillig narigheid?
Altijd godsvrucht, is mijn motto steeds,
dat geeft blijdschap, dat geeft vree.
Die krijg ik hier op de aarde reeds,
maar ook eeuwig, want die neem ik mee.
vol verderf en dood en haat en nijd.
Slaaf der zonde word ik evenmin.
Wie zoekt ooit moedwillig narigheid?
Altijd godsvrucht, is mijn motto steeds,
dat geeft blijdschap, dat geeft vree.
Die krijg ik hier op de aarde reeds,
maar ook eeuwig, want die neem ik mee.
2.
Ezau had het eerstgeboorterecht.
Moe en hong’rig kwam hij van de jacht.
En één maaltijd heeft hem meer gezegd
dan zijn recht: dat werd door hem veracht.
’t Was niet moog’lijk, dat hij weer ontving
wat hij Jakob had verkocht.
Hij verloor voorgoed de zegening
die hij later onder tranen zocht.
Moe en hong’rig kwam hij van de jacht.
En één maaltijd heeft hem meer gezegd
dan zijn recht: dat werd door hem veracht.
’t Was niet moog’lijk, dat hij weer ontving
wat hij Jakob had verkocht.
Hij verloor voorgoed de zegening
die hij later onder tranen zocht.