1.
’k Zing van ganser harte: Al mijn bronnen zijn in U,
/: bronnen zijn in U! :/
’k Heb geen and’re bronnen nodig, ’k vind mijn troost in U.
Heel Gods volheid woont in U.
/: bronnen zijn in U! :/
’k Heb geen and’re bronnen nodig, ’k vind mijn troost in U.
Heel Gods volheid woont in U.
2.
Hij geeft mij gerechtigheid en vree in overvloed,
/: vree in overvloed. :/
Jezus is mij alles, nu heb ik het meer dan goed.
Met Hem ga ik welgemoed.
/: vree in overvloed. :/
Jezus is mij alles, nu heb ik het meer dan goed.
Met Hem ga ik welgemoed.
3.
Overstromen moet het hart van elk die Hem verwacht,
/: elk die Hem verwacht! :/
Lied’ren wellen op, ja, zelfs een lofzang in de nacht.
Lof en dank zij Hem gebracht!
/: elk die Hem verwacht! :/
Lied’ren wellen op, ja, zelfs een lofzang in de nacht.
Lof en dank zij Hem gebracht!
4.
’k Heb geen goed meer buiten U, o God, U bent mijn Heer,
/: ja, U bent mijn Heer. :/
Heil’gen in den lande- voor mij onbekend weleer -
zijn nu al mijn vreugd en eer.
/: ja, U bent mijn Heer. :/
Heil’gen in den lande- voor mij onbekend weleer -
zijn nu al mijn vreugd en eer.
5.
Zelfs een kwaad gerucht jaagt ons nu nimmer angst meer aan,
/: nimmer angst meer aan. :/
God is met ons, die de vijand zeker zal verslaan,
tot hij niet meer op kan staan.
/: nimmer angst meer aan. :/
God is met ons, die de vijand zeker zal verslaan,
tot hij niet meer op kan staan.
6.
Licht is de verdrukking, vrienden, kort is ook de strijd,
/: kort is ook de strijd. :/
Maar als loon ontvangt u heerlijkheid op heerlijkheid,
overgrote heerlijkheid.
/: kort is ook de strijd. :/
Maar als loon ontvangt u heerlijkheid op heerlijkheid,
overgrote heerlijkheid.
7.
’k Heb gevonden hier de weg die naar de hemel leidt,
/: naar de hemel leidt. :/
’t Is dus niet verwonderlijk dat ik mij zo verblijd,
zo van harte mij verblijd.
/: naar de hemel leidt. :/
’t Is dus niet verwonderlijk dat ik mij zo verblijd,
zo van harte mij verblijd.