142

De Heer gunt zich om Sion geen rust, Hij zwijgt niet stil

1.
De Heer gunt zich om Sion geen rust, Hij zwijgt niet stil,
eer zijn verlossing neder zal dalen.
De lichtglans van zijn recht en de fakkel van zijn heil
zal eenmaal heel Jeruzalem bestralen.
(Jes. 62)
2.
De volken zien Gods glorie, de koningen zijn eer,
ja, men zal zijn rechtvaardigheid roemen.
God neemt een witte steen, schrijft uw nieuwe naam daar neer,
daarmee zal Hij zijn zielsbeminde noemen.
3.
Een sieraad vol van pracht zult u zijn in ’s Meesters hand,
een koninklijke kroon, hoog verheven.
De goede Geest des Heren zal heersen in uw land,
en men zal u de naam ‘Gehuwde’ geven.
4.
Zoals een man een vrouw huwt, zullen uw zonen Hem
als redder en verlosser aanvaarden.
Zoals een man zijn bruid, zo mint God Jeruzalem,
voor Hem de stad van d’ allergrootste waarde.
5.
O Sion, op uw muren stelt God een sterke wacht.
’t Zijn vechters, een geweldige schare.
Zij zullen nimmer zwijgen, maar roepen dag en nacht:
“Rust niet, o Here, U zult ons bewaren!”
6.
De Here heeft gezworen, ja, bij zijn rechterhand:
Geen vreemde zal uw most meer verteren;
u zult de vruchten eten van wat u hebt geplant.
Ik zal uw vijand openlijk beleren!
7.
Trek binnen door de poorten, bereid voor ’t volk de baan
en zuiver hem van stokken en stenen!
Maak plaats voor Sions dochter, die nu tot Mij zal gaan;
het is haar recht, wie zal haar dat ontnemen?
Geschreven in 1920 door Johan O. Smith (gepubliceerd in 1929)Tekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ D