1.
Er klinkt een bazuin: God roept op tot de strijd,
een leger van helden treedt aan.
Het eind’ is nabij, de beslissende tijd:
niets kan hen weerhouden te gaan!
/: Nog roept Hij ons samen, kom, wees dan bereid
en meld u bij God voor de strijd. :/
een leger van helden treedt aan.
Het eind’ is nabij, de beslissende tijd:
niets kan hen weerhouden te gaan!
/: Nog roept Hij ons samen, kom, wees dan bereid
en meld u bij God voor de strijd. :/
2.
Zij scharen zich blij om hun aanvoerder heen:
hun strijd geldt de vrede op aard.
God reikt hun de wapens, de krijg maakt hen één;
zijn woord is hun vlammende zwaard.
/: Zij zijn zonder vrees, hebben vree in de strijd
door Hem wien zij gans zijn gewijd. :/
hun strijd geldt de vrede op aard.
God reikt hun de wapens, de krijg maakt hen één;
zijn woord is hun vlammende zwaard.
/: Zij zijn zonder vrees, hebben vree in de strijd
door Hem wien zij gans zijn gewijd. :/
3.
De duisternis heeft vele zielen geschaad;
zij dolen in onkunde voort.
Bestrijders der waarheid vol blindheid en haat
verzetten zich tegen het woord.
/: De prijs wacht voor wie overwint in de strijd,
voor elk die het licht trouw verspreidt. :/
(1 Joh. 2:8)
zij dolen in onkunde voort.
Bestrijders der waarheid vol blindheid en haat
verzetten zich tegen het woord.
/: De prijs wacht voor wie overwint in de strijd,
voor elk die het licht trouw verspreidt. :/
(1 Joh. 2:8)
4.
Het licht kwam als dodelijk oordeel op aard;
geen duister kan daarvoor bestaan.
’t Verwekt louter haat waar het zich openbaart,
maar ’t uur van de zege breekt aan.
/: Wij treden, omgord met de waarheid, in ’t krijt;
de Heer is nabij in de strijd. :/
geen duister kan daarvoor bestaan.
’t Verwekt louter haat waar het zich openbaart,
maar ’t uur van de zege breekt aan.
/: Wij treden, omgord met de waarheid, in ’t krijt;
de Heer is nabij in de strijd. :/
5.
Wee over elkeen die dit licht wederstaat
en hunkert naar wereldse pracht,
die, evenals kaf, met de wind mee verwaait
en steeds nog teleurstelling bracht.
/: Zij zullen verkomm’ren op jacht naar genot
en hebben geen rijkdom in God. :/
(Fil. 3:18-19)
en hunkert naar wereldse pracht,
die, evenals kaf, met de wind mee verwaait
en steeds nog teleurstelling bracht.
/: Zij zullen verkomm’ren op jacht naar genot
en hebben geen rijkdom in God. :/
(Fil. 3:18-19)
6.
Maar wie zijn gekruisigd voor wereldse glans,
wie lichtstralen durven te zijn,
ontvangen een eeuwige heerlijkheidskrans.
Met hen wil Gods Zoon samenzijn.
/: Een vurig verlangen legt Hij in hen neer,
en hoop op de komst van hun Heer. :/
wie lichtstralen durven te zijn,
ontvangen een eeuwige heerlijkheidskrans.
Met hen wil Gods Zoon samenzijn.
/: Een vurig verlangen legt Hij in hen neer,
en hoop op de komst van hun Heer. :/