1.
De Vader der lichten verleent ons zijn macht,
de macht die ons trekt uit de duistere nacht.
Verduisterd van denken en blind voor ’t gebod,
bekeerden wij ons in geloof tot God.
de macht die ons trekt uit de duistere nacht.
Verduisterd van denken en blind voor ’t gebod,
bekeerden wij ons in geloof tot God.
2.
Wij werden gereinigd van zonde en smet
en door het geloof in de Heiland gered.
Nu woont Jezus zelf in ons hart, het is rein,
waarvan Geest en water getuigen zijn.
en door het geloof in de Heiland gered.
Nu woont Jezus zelf in ons hart, het is rein,
waarvan Geest en water getuigen zijn.
3.
Het voorhangsel, ’t vlees, wordt nu krachtig belicht.
In ’t heiligdom gaan wij door dood en gericht.
De hoop, vast en veilig als anker vooraan,
wordt levend waar ’t vlees wordt tenietgedaan.
In ’t heiligdom gaan wij door dood en gericht.
De hoop, vast en veilig als anker vooraan,
wordt levend waar ’t vlees wordt tenietgedaan.
4.
God schrijft in ons hart nu zijn wetten en woord.
Gehoorzaamheid leidt ons zo stap voor stap voort
in ’t voetspoor, dat Jezus hier naliet benee;
het bloed spreekt als derde getuige mee.
Gehoorzaamheid leidt ons zo stap voor stap voort
in ’t voetspoor, dat Jezus hier naliet benee;
het bloed spreekt als derde getuige mee.
5.
Wij krijgen de zalving, die alles ons leert,
een nieuwe naam, in witte steen gegraveerd,
een smetteloos fijn linnen kleed, wit en rein.
O Jezus, mijn bruigom, van U zal ’k zijn!
een nieuwe naam, in witte steen gegraveerd,
een smetteloos fijn linnen kleed, wit en rein.
O Jezus, mijn bruigom, van U zal ’k zijn!