1.
Als kleine pelgrim ben ’k op reis,
op weg naar ’t hemels paradijs.
Gods Woord is steeds de staf voor mij,
God schonk een pelgrimsgeest aan mij.
Ik moet nu gaan, ik moet nu gaan!
Ik vind geen vrede hier op aard,
want ik ben op een pelgrimsreis,
op weg naar ’t hemels paradijs.
op weg naar ’t hemels paradijs.
Gods Woord is steeds de staf voor mij,
God schonk een pelgrimsgeest aan mij.
Ik moet nu gaan, ik moet nu gaan!
Ik vind geen vrede hier op aard,
want ik ben op een pelgrimsreis,
op weg naar ’t hemels paradijs.
2.
Mijn pad is smal en steil en hard,
maar er is lofzang in mijn hart.
Wat maakt het uit of ik wat lijd?
Straks ben ik al mijn zorgen kwijt.
En eeuwig ben ik dan verblijd,
dus beste vriend, treur niet om mij.
Ik ben nu op mijn pelgrimsreis,
op weg naar ’t hemels paradijs.
maar er is lofzang in mijn hart.
Wat maakt het uit of ik wat lijd?
Straks ben ik al mijn zorgen kwijt.
En eeuwig ben ik dan verblijd,
dus beste vriend, treur niet om mij.
Ik ben nu op mijn pelgrimsreis,
op weg naar ’t hemels paradijs.
3.
De dingen die men zoekt op aard,
die zijn voor mij echt niets meer waard.
Ik wil daar niet mee bezig zijn,
het is een hindernis voor mij.
Ik moet nu alle lasten kwijt,
mijn voeten steeds tot strijd bereid.
Ik ren heel hard, nu haast ik mij
en spoedig ben ik eeuwig vrij.
die zijn voor mij echt niets meer waard.
Ik wil daar niet mee bezig zijn,
het is een hindernis voor mij.
Ik moet nu alle lasten kwijt,
mijn voeten steeds tot strijd bereid.
Ik ren heel hard, nu haast ik mij
en spoedig ben ik eeuwig vrij.
4.
O, wonderbare hemelweg,
waar steeds iets nieuws is klaargelegd.
Die weg verlaat ik niet, o nee,
daar stroomt de held’re levensbeek.
In felle zon, in duisternis,
’k weet dat Gods beek vol water is.
Ik les mijn dorst daar, elke keer
en hef mijn hoofd omhoog dan weer.
waar steeds iets nieuws is klaargelegd.
Die weg verlaat ik niet, o nee,
daar stroomt de held’re levensbeek.
In felle zon, in duisternis,
’k weet dat Gods beek vol water is.
Ik les mijn dorst daar, elke keer
en hef mijn hoofd omhoog dan weer.
5.
Kom mee, mijn vriend en sluit je aan
om naar de hemel toe te gaan!
Nu is het nog genadetijd,
maar straks is deze tijd voorbij.
Sta op en neem de staf nu mee
en bid God om een pelgrimsgeest!
Als jij, mijn vriend, die geest ontvangt,
dan leidt die jou naar ’t hemels land.
om naar de hemel toe te gaan!
Nu is het nog genadetijd,
maar straks is deze tijd voorbij.
Sta op en neem de staf nu mee
en bid God om een pelgrimsgeest!
Als jij, mijn vriend, die geest ontvangt,
dan leidt die jou naar ’t hemels land.