1.
De weg ten hemel
is smal en doornig,
maar lieflijk voor een elk die hem wil gaan.
Zo nauw ook is de poort.
Toch moeten allen voort.
Tegenstand vuurt ons aan om door te gaan!
is smal en doornig,
maar lieflijk voor een elk die hem wil gaan.
Zo nauw ook is de poort.
Toch moeten allen voort.
Tegenstand vuurt ons aan om door te gaan!
2.
Voortdurend ga ik neer,
maar ’t hart is bij de Heer.
Alles op aarde moet toch vergaan.
Maar reeds ervaart mijn geest
het vrij zijn van het vlees,
aanschouwt in onze tijd Gods heerlijkheid!
maar ’t hart is bij de Heer.
Alles op aarde moet toch vergaan.
Maar reeds ervaart mijn geest
het vrij zijn van het vlees,
aanschouwt in onze tijd Gods heerlijkheid!
3.
Het kruis maakt mij nu vrij
van ’s vlezes plagerij,
terwijl ik voortsnel naar ’t hemels thuis.
Daar wacht mij het genot;
hier lijden slechts voor God,
voor heel de wereld doof staan in ’t geloof.
van ’s vlezes plagerij,
terwijl ik voortsnel naar ’t hemels thuis.
Daar wacht mij het genot;
hier lijden slechts voor God,
voor heel de wereld doof staan in ’t geloof.
4.
Heer Jezus, dank U!
Gij weet mijn weg ook nu.
Waar Gij mij heen leidt, daar volg ik U.
Tucht, oordeel keer op keer,
’t komt alles van de Heer,
voert mij aan Jezus’ hand met liefdeband.
Gij weet mijn weg ook nu.
Waar Gij mij heen leidt, daar volg ik U.
Tucht, oordeel keer op keer,
’t komt alles van de Heer,
voert mij aan Jezus’ hand met liefdeband.