1.
O kudde, die in nood verkeert,
u treurt en weent nog heden;
maar eens komt rust, zolang ontbeerd,
voor wie zijn voetspoor treden.
Geloof, volhard bewust
en gun uzelf geen rust.
Ga voort en strijd verwoed,
wees waakzaam, vol van moed;
straks is uw strijd gestreden.
u treurt en weent nog heden;
maar eens komt rust, zolang ontbeerd,
voor wie zijn voetspoor treden.
Geloof, volhard bewust
en gun uzelf geen rust.
Ga voort en strijd verwoed,
wees waakzaam, vol van moed;
straks is uw strijd gestreden.
2.
Ja, wacht volhardend op uw God,
laat u door niets verschrikken.
Zijn woord staat vast gelijk een rots!
Dat zal uw ziel verkwikken.
Roep tot Hem dag en nacht.
Mild slaat Hij op u acht.
Ja, Hij verschaft u recht,
zo wordt het pleit beslecht.
Laat u door niets verstrikken.
laat u door niets verschrikken.
Zijn woord staat vast gelijk een rots!
Dat zal uw ziel verkwikken.
Roep tot Hem dag en nacht.
Mild slaat Hij op u acht.
Ja, Hij verschaft u recht,
zo wordt het pleit beslecht.
Laat u door niets verstrikken.
3.
Het volk dat klein is en gering,
moet zich verlooch’nen, strijden.
Wij immers gaan ten hemel in
door in de druk te lijden.
Verbaas u niet, als ’t vuur
in het beproevingsuur
u lijden brengt en dood.
God geeft, na alle nood,
een vreugdevol verblijden.
moet zich verlooch’nen, strijden.
Wij immers gaan ten hemel in
door in de druk te lijden.
Verbaas u niet, als ’t vuur
in het beproevingsuur
u lijden brengt en dood.
God geeft, na alle nood,
een vreugdevol verblijden.