1.
Levend water stroomt zo vredig
van onder de tempelpoort.
Zuidelijk van ’t altaar vloeit het
oostwaarts stil en rustig voort.
(Ez. 47)
van onder de tempelpoort.
Zuidelijk van ’t altaar vloeit het
oostwaarts stil en rustig voort.
(Ez. 47)
2.
Waar het langs komt, roert zich leven;
groei, gezondheid spruiten uit.
Met hun snoeren en hun netten
vangen vissers rijke buit.
groei, gezondheid spruiten uit.
Met hun snoeren en hun netten
vangen vissers rijke buit.
3.
’t Water reikte tot de enkels,
toen ik in de beek eerst liep,
maar tenslotte moest ik zwemmen,
want het water werd zo diep.
toen ik in de beek eerst liep,
maar tenslotte moest ik zwemmen,
want het water werd zo diep.
4.
Ter herdenking staan twaalf stenen
in de bedding der Jordaan:
’t water zal slechts hij verkrijgen,
die de wegen Gods wil gaan.
(Joz. 4:9)
in de bedding der Jordaan:
’t water zal slechts hij verkrijgen,
die de wegen Gods wil gaan.
(Joz. 4:9)
5.
Overal, langs beide oevers,
komt er leven, overvloed.
Daar wordt het voor eeuwig zomer;
dat geeft mensen kracht en moed.
komt er leven, overvloed.
Daar wordt het voor eeuwig zomer;
dat geeft mensen kracht en moed.
6.
Bij U is de bron des levens;
in uw licht, daar zien wij klaar.
Levend water stroomt voortdurend
uit U voort, hoe wonderbaar!
in uw licht, daar zien wij klaar.
Levend water stroomt voortdurend
uit U voort, hoe wonderbaar!