1.
O, waar zijn ze, mijn God,
die met liefd’ uw gebod
willen houden! Waar kan ik ze vinden?
Ik verlang om te gaan
en met kracht bij te staan
alle waarlijk godvruchtig gezinden.
die met liefd’ uw gebod
willen houden! Waar kan ik ze vinden?
Ik verlang om te gaan
en met kracht bij te staan
alle waarlijk godvruchtig gezinden.
2.
Ja, een levend geloof
in uw heerlijke woord,
dat kan kracht en triomf bij hen zaaien!
Ach, het doet mij verdriet!
Men is vaak als een riet,
dat maar steeds heen en weer staat te zwaaien.
in uw heerlijke woord,
dat kan kracht en triomf bij hen zaaien!
Ach, het doet mij verdriet!
Men is vaak als een riet,
dat maar steeds heen en weer staat te zwaaien.
3.
Leid mij, Here, tot hen
die ik zelf nog niet ken,
om gemeenschap met hen te ervaren -
met al wie U bemint,
van U houdt als een kind,
en die graag uw gebod wil bewaren.
die ik zelf nog niet ken,
om gemeenschap met hen te ervaren -
met al wie U bemint,
van U houdt als een kind,
en die graag uw gebod wil bewaren.
4.
Wat ik zelf van U kreeg
wil ik uitstrooien, Heer,
om wie zwak in ’t geloof is, te sterken.
Wie U liefhebben, God,
en uw kostbaar gebod,
laat hen kracht en vooruitgang bemerken!
wil ik uitstrooien, Heer,
om wie zwak in ’t geloof is, te sterken.
Wie U liefhebben, God,
en uw kostbaar gebod,
laat hen kracht en vooruitgang bemerken!