1.
Ik liep als door woestijnen, mijn leven was een plaag;
vergeefs zocht ik bevrijding van zond’ en nederlaag.
Ik las het woord van Jezus: “Ik maak je werk’lijk vrij!”
Maar waar kon ik dat horen? Geen mens vertelde ’t mij.
vergeefs zocht ik bevrijding van zond’ en nederlaag.
Ik las het woord van Jezus: “Ik maak je werk’lijk vrij!”
Maar waar kon ik dat horen? Geen mens vertelde ’t mij.
2.
Zo kwam ik zonder vrienden geheel alleen te staan.
Ik smeekte: “Wijs toch, Here, een geest’lijk thuis mij aan.”
In mijn woestijn zag God mij, Hij hoorde mijn gebed,
bracht mij naar een oase, een bron; ik werd gered.
Ik smeekte: “Wijs toch, Here, een geest’lijk thuis mij aan.”
In mijn woestijn zag God mij, Hij hoorde mijn gebed,
bracht mij naar een oase, een bron; ik werd gered.
3.
Die bron was goed en zuiver, ik laafde mij eraan.
De stem die ik vaag kende, kon ik nu goed verstaan.
’k Werd door het woord der waarheid, als Gods werk,
voortgebracht.
Nu kon ik overwinnen door Jezus’ hulp en kracht.
De stem die ik vaag kende, kon ik nu goed verstaan.
’k Werd door het woord der waarheid, als Gods werk,
voortgebracht.
Nu kon ik overwinnen door Jezus’ hulp en kracht.
4.
Mijn thuis werd de gemeente, de goede levensweg.
Mijn hart vond hemelvrede, mijn wegen werden recht.
Gods goede vaderhanden zijn onder mij altijd;
Hij hoedt mij en is bij mij in elk’ omstandigheid.
Mijn hart vond hemelvrede, mijn wegen werden recht.
Gods goede vaderhanden zijn onder mij altijd;
Hij hoedt mij en is bij mij in elk’ omstandigheid.
5.
’k Verlang bij U tewezen, mijn Bruidegom, mijn Heer,
die met mij bent in ’t strijden en moeite telkens weer.
Dan komt op aard ook vrede, U wist de tranen af.
Dank, Heer, voor uw genade, de tucht die U mij gaf.
die met mij bent in ’t strijden en moeite telkens weer.
Dan komt op aard ook vrede, U wist de tranen af.
Dank, Heer, voor uw genade, de tucht die U mij gaf.