1.
Tevergeefs bouwt u het huis, als God de bouwmeester niet is.
Zonder Hem wordt ook de stad vergeefs bewaakt.
Al werkt u van ’s morgens vroeg en eindigt u bij duisternis,
tevergeefs is ’t en hoe meer bezorgd u raakt.
Zeg slechts: Amen, allen samen!
God geeft in de slaap zijn vriend wat nodig is.
Met veel zonen zal Hij lonen.
’s Levens vrucht is ’t erf in Kanaän gewis.
Zonder Hem wordt ook de stad vergeefs bewaakt.
Al werkt u van ’s morgens vroeg en eindigt u bij duisternis,
tevergeefs is ’t en hoe meer bezorgd u raakt.
Zeg slechts: Amen, allen samen!
God geeft in de slaap zijn vriend wat nodig is.
Met veel zonen zal Hij lonen.
’s Levens vrucht is ’t erf in Kanaän gewis.
2.
Ik wil letten op de leliën des velds en op hun pracht
om gesterkt te worden in Gods grote macht.
Spinnen doen zij niet, noch werken zij van vroeg tot ’s avonds laat,
leven vol van vrede in hun schoon gewaad.
Zie, hoe heerlijk en begeerlijk;
koning Salomo zelfs was niet zo bekleed.
Uit het hoge neergebogen
wil ik leren van der leliën prachtig kleed.
om gesterkt te worden in Gods grote macht.
Spinnen doen zij niet, noch werken zij van vroeg tot ’s avonds laat,
leven vol van vrede in hun schoon gewaad.
Zie, hoe heerlijk en begeerlijk;
koning Salomo zelfs was niet zo bekleed.
Uit het hoge neergebogen
wil ik leren van der leliën prachtig kleed.
3.
Kom naar buiten, zie de mussen, zie hoe zalig zij wel zijn;
chemisch vrij van twijfel, zorg voor onderhoud.
Kosten twee van hen geen duit; en God vergeet er toch niet één.
Lieve broeder, weet dat God meer van u houdt.
Wees gerust u! Kom tot rust nu
met het erfdeel dat u eens ontving van God.
Leer te dragen wat mocht plagen.
Alle dingen dienen u, naar zijn gebod.
chemisch vrij van twijfel, zorg voor onderhoud.
Kosten twee van hen geen duit; en God vergeet er toch niet één.
Lieve broeder, weet dat God meer van u houdt.
Wees gerust u! Kom tot rust nu
met het erfdeel dat u eens ontving van God.
Leer te dragen wat mocht plagen.
Alle dingen dienen u, naar zijn gebod.