1.
Jeugd, ’t is tijd nu om te zaaien:
’t is voor jou de lentetijd.
Wat je zaait, dat zul je maaien.
Welke oogst komt mettertijd?
Haast je alles op te geven
en begeer geen aardse schat.
Laat Gods woord jou in dit leven
leiden op het smalle pad.
’t is voor jou de lentetijd.
Wat je zaait, dat zul je maaien.
Welke oogst komt mettertijd?
Haast je alles op te geven
en begeer geen aardse schat.
Laat Gods woord jou in dit leven
leiden op het smalle pad.
2.
Aardse schoonheid zal verdwijnen.
Zalig, wie de Here vreest!
Zalig, wie straks als de zijne
ingaat tot het bruiloftsfeest.
O verlies op aard je leven:
win het voor de eeuwigheid
door jezelf aan God te geven,
tot in ’t kleine trouw altijd.
Zalig, wie de Here vreest!
Zalig, wie straks als de zijne
ingaat tot het bruiloftsfeest.
O verlies op aard je leven:
win het voor de eeuwigheid
door jezelf aan God te geven,
tot in ’t kleine trouw altijd.
3.
Zaai nu in de goede aarde
zodat eeuw’ge vrucht ontspruit!
Dat geeft aan je leven waarde,
zo vormt Jezus zich een bruid.
Van ’t verlooch’nen van het boze
krijg je later nimmer spijt:
dat je Gods weg hebt gekozen
in je mooie lentetijd.
zodat eeuw’ge vrucht ontspruit!
Dat geeft aan je leven waarde,
zo vormt Jezus zich een bruid.
Van ’t verlooch’nen van het boze
krijg je later nimmer spijt:
dat je Gods weg hebt gekozen
in je mooie lentetijd.