1.
Vroeger liep ik met de mensenmassa mee,
maar ik kreeg geen vrede in die mensenzee.
Maar toen drong de volle waarheid tot mij door:
’t was het licht van God; geloofd zij Hij daarvoor.
Toen kreeg ik licht, ja levenslicht!
maar ik kreeg geen vrede in die mensenzee.
Maar toen drong de volle waarheid tot mij door:
’t was het licht van God; geloofd zij Hij daarvoor.
Toen kreeg ik licht, ja levenslicht!
2.
Zonde drukt nog altijd vele mensen neer,
en zo dwalen ze vol onrust heen en weer.
Bitter leed vervult hun jammerlijk bestaan;
prijs dan God, dat jou het licht is opgegaan!
Toen kreeg je licht, ja levenslicht!
en zo dwalen ze vol onrust heen en weer.
Bitter leed vervult hun jammerlijk bestaan;
prijs dan God, dat jou het licht is opgegaan!
Toen kreeg je licht, ja levenslicht!
3.
Elk die treurt, wil Hij vertroosten met zijn Woord,
Hij verlost wie in de droefheid daarnaar hoort.
Wat een voorrecht dat jij ’t levenslicht ontving,
dat de volle waarheid brengt, en reiniging.
Toen kreeg je licht, ja levenslicht!
Hij verlost wie in de droefheid daarnaar hoort.
Wat een voorrecht dat jij ’t levenslicht ontving,
dat de volle waarheid brengt, en reiniging.
Toen kreeg je licht, ja levenslicht!
4.
Uit de hemel kwam het licht naar deze aard,
en het werkt in wie het met geloof aanvaardt.
Door het licht breekt zich het nieuwe leven baan;
prijs dan God, dat ons het licht is opgegaan!
Wij kregen licht, ja levenslicht!
en het werkt in wie het met geloof aanvaardt.
Door het licht breekt zich het nieuwe leven baan;
prijs dan God, dat ons het licht is opgegaan!
Wij kregen licht, ja levenslicht!