1.
Heilig is ’s Heren strijd.
Vrees niet, wees waar altijd,
vol geest en kracht.
En is de strijd ook hard,
red, met Gods vree in ’t hart,
mensen in nood en smart
uit Satans macht.
Vrees niet, wees waar altijd,
vol geest en kracht.
En is de strijd ook hard,
red, met Gods vree in ’t hart,
mensen in nood en smart
uit Satans macht.
2.
Gods volk, dat armoe lijdt,
zinkt weg in narigheid,
diep in de put.
Waar is de man vol moed
met ’s hemels kracht en gloed,
die ’t volk herrijzen doet?
Wie is tot nut?
zinkt weg in narigheid,
diep in de put.
Waar is de man vol moed
met ’s hemels kracht en gloed,
die ’t volk herrijzen doet?
Wie is tot nut?
3.
Jij, vurig, jong en sterk,
draal toch niet, maar bewerk
Gods wil, zo goed.
Zondaren zonder kracht
dolen in donk’re nacht.
Heb jij hun hulp gebracht,
gaf jij hun moed?
draal toch niet, maar bewerk
Gods wil, zo goed.
Zondaren zonder kracht
dolen in donk’re nacht.
Heb jij hun hulp gebracht,
gaf jij hun moed?
4.
Stel je met klem de vraag:
Waarom zo lauw en traag
voor Jezus’ strijd?
Word wakker nu meteen,
breek door de slapheid heen!
Sluit je met ons aaneen,
word Hem gelijk!
Waarom zo lauw en traag
voor Jezus’ strijd?
Word wakker nu meteen,
breek door de slapheid heen!
Sluit je met ons aaneen,
word Hem gelijk!