1.
God, mijn koning, der heren Heer,
troont daar zo hoog en verheven,
buigt zich diep naar ’t geringe neer,
woont bij wie nederig leven.
Heer, uw hemel omvat U niet,
toch ziet U zeer laag terneer,
heft de geringen uit zond’ en nood,
en loutert z’ als goud tot uw eer.
troont daar zo hoog en verheven,
buigt zich diep naar ’t geringe neer,
woont bij wie nederig leven.
Heer, uw hemel omvat U niet,
toch ziet U zeer laag terneer,
heft de geringen uit zond’ en nood,
en loutert z’ als goud tot uw eer.
2.
Gij woont in een verbroken geest,
om die weer op te doen leven.
Wie niet wilden geloven, zijn
in hun ellende gebleven.
Tot mijn Heer heeft mijn ziel gezegd:
“Gij zijt mijn burcht en mijn lied.”
Wie zijn verbond sluit met U, o God,
verheerlijkt U ook in verdriet.
om die weer op te doen leven.
Wie niet wilden geloven, zijn
in hun ellende gebleven.
Tot mijn Heer heeft mijn ziel gezegd:
“Gij zijt mijn burcht en mijn lied.”
Wie zijn verbond sluit met U, o God,
verheerlijkt U ook in verdriet.
3.
Gij bevrijdt de gevangenen,
allen die waren gebonden,
maakt hen vrij van hun ketenen,
los uit de strik van de zonde.
’s Hemels koning vormt zich een bruid
hier op de aard uit het stof.
Uit al haar werken ontstaat een kleed,
zo smetteloos rein, tot zijn lof.
allen die waren gebonden,
maakt hen vrij van hun ketenen,
los uit de strik van de zonde.
’s Hemels koning vormt zich een bruid
hier op de aard uit het stof.
Uit al haar werken ontstaat een kleed,
zo smetteloos rein, tot zijn lof.