1.
Wie zijn het die jubelen, juichen van vreugd,
als Jezus straks wederkeert?
Wie zingen er eenmaal het nieuwe gezang,
dat weinigen hebben geleerd?
als Jezus straks wederkeert?
Wie zingen er eenmaal het nieuwe gezang,
dat weinigen hebben geleerd?
Refrein:
Zij zijn het, die met volharding de strijd
hebben gevoerd, in de hoop steeds verblijd.
In de verzoekingen hielden zij stand,
verwierven een beter land.
hebben gevoerd, in de hoop steeds verblijd.
In de verzoekingen hielden zij stand,
verwierven een beter land.
2.
Wie brengen zichzelf als een offer aan God,
door kracht van de eeuw’ge Geest?
Wie off’ren hun lichaam vrijwillig aan Hem
en zoeken geen hulp bij het vlees?
door kracht van de eeuw’ge Geest?
Wie off’ren hun lichaam vrijwillig aan Hem
en zoeken geen hulp bij het vlees?
Refrein:
Zij zijn het, die hier gehoorzaam en trouw
jagen naar godsvrucht, nooit slap en nooit lauw,
op het behagen van God steeds gericht.
Ze staan voor Gods aangezicht.
jagen naar godsvrucht, nooit slap en nooit lauw,
op het behagen van God steeds gericht.
Ze staan voor Gods aangezicht.
3.
Wie willen hier volgen in nederigheid
de voetstappen van Gods Zoon?
Wie schuwen geen moeite, verlangen geen roem
of bijval van and’ren als loon?
de voetstappen van Gods Zoon?
Wie schuwen geen moeite, verlangen geen roem
of bijval van and’ren als loon?
Refrein:
Zij zijn het, die hier hun roeping verstaan,
jagen naar ’t doel tot aan ’t einde der baan,
haten de zonde; het is hun niets waard,
de dingen van deze aard.
jagen naar ’t doel tot aan ’t einde der baan,
haten de zonde; het is hun niets waard,
de dingen van deze aard.
4.
Wie dragen op aarde reeds eeuwige vrucht
en worden door God bewaard?
Wie laten zich reinigen, snoeien door tucht,
opdat er meer vrucht wordt vergaard?
en worden door God bewaard?
Wie laten zich reinigen, snoeien door tucht,
opdat er meer vrucht wordt vergaard?
Refrein:
Zij zijn het, die zijn geboren uit God,
graag willen horen zijn raad en gebod,
’t leven verborgen in God, met Hem één!
Ze houden van Hem alleen.
graag willen horen zijn raad en gebod,
’t leven verborgen in God, met Hem één!
Ze houden van Hem alleen.