1.
Van uwe wegen wil ’k zingen, Heer,
want lofzang en dank zijt Gij waard.
Komt nu, behoeftigen, komt en hoort:
God mint de geringen op aard.
Verdrukten vinden een burcht in nood:
Hij woont bij verslaag’nen van geest.
Hong’rigen geeft Hij het levensbrood
en rust wie is moe en bevreesd.
want lofzang en dank zijt Gij waard.
Komt nu, behoeftigen, komt en hoort:
God mint de geringen op aard.
Verdrukten vinden een burcht in nood:
Hij woont bij verslaag’nen van geest.
Hong’rigen geeft Hij het levensbrood
en rust wie is moe en bevreesd.
2.
Zing nu de Here, mijn ziel, met vreugd
en prijs Hem, mijn tong, keer op keer.
Zegezang klinkt bij d’ oprechten thuis:
Slechts need’rigen zingen Gods eer.
Daar is Hij zelve de levensweg,
die dwazen zelfs vinden en gaan.
Want wie tot kind zich vernederd heeft,
zal ’t Koninkrijk Gods binnengaan.
en prijs Hem, mijn tong, keer op keer.
Zegezang klinkt bij d’ oprechten thuis:
Slechts need’rigen zingen Gods eer.
Daar is Hij zelve de levensweg,
die dwazen zelfs vinden en gaan.
Want wie tot kind zich vernederd heeft,
zal ’t Koninkrijk Gods binnengaan.