124

Ik leefd’ in Egypte eens in slavernij

1.
Ik leefd’ in Egypte eens in slavernij.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
Bij ’t steen bakken zwoegd’ ik met stro en met klei.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
Ik sloofde mij af, maar de vree vond ik niet,
mijn rug werd de zweep niet gespaard.
Want Farao’s opzichters, hard als graniet,
zijn zeer onbarmhartig van aard.
Refrein:
/: Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon. :/
Bij Hem vond ik rust en door Hem ben ik vrij.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
2.
Wat wou ik graag vluchten uit die slavernij!
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
Maar zij zaaiden krachtige leugens in mij.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
Ze zeiden: Verzaak toch je roeping niet zo,
je hebt toch zo’n duid’lijk gebod:
bak jij nu maar stenen, verzamel maar stro,
want dat is je roeping van God.
3.
Eens haalde ik stro, want het werk moest gedaan.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
Toen kwam er een Mozes uit Midian aan.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
Hij maakte de leugen, ’t bedrog openbaar,
verlichtte mijn geest en verstand.
Hij troostte mijn hart, maakte alles zo klaar...
Toen nam ik mijn staf in de hand.
4.
Door ’t zand der woestijn trok ik op, vol van moed.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
’t Geloof moest beproefd, dat begreep ik heel goed.
Mijn hart ging steeds uit naar Gods Zoon.
Ik krijg melk en honing, zoals was beloofd.
Ik denk aan geen vleespotten meer.
Een lichtende vuurkolom boven mijn hoofd:
mijn trouwe, mijn hemelse Heer.
Geschreven door Edwin Bekkevold (gepubliceerd in 1920)Gecomponeerd door Herbert H. BoothTekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ C