1.
Niets zijn, Here, ’k wil geen ere,
dat God alles zij!
Stil verdragen zonder klagen,
daartoe riep Hij mij.
dat God alles zij!
Stil verdragen zonder klagen,
daartoe riep Hij mij.
2.
Niet genieten, zegen gieten,
off’ren t’ allen tijd.
’t Commanderen af te leren,
daartoe ben ’k bevrijd.
off’ren t’ allen tijd.
’t Commanderen af te leren,
daartoe ben ’k bevrijd.
3.
Zorgzaam wand’len, dat ik and’ren
door mijn doen niet kwets.
’k Wil mij voegen met genoegen.
Daartoe heb ik recht.
door mijn doen niet kwets.
’k Wil mij voegen met genoegen.
Daartoe heb ik recht.
4.
Zonder vrezen waarheid spreken,
moedig, doelgericht,
Jezus prijzen, deugd bewijzen,
daartoe kreeg ik licht.
moedig, doelgericht,
Jezus prijzen, deugd bewijzen,
daartoe kreeg ik licht.
5.
Met uw gaven and’ren laven,
wat het mij ook kost.
’k Wil mijn leven voor U geven.
Daartoe ben ’k verlost.
wat het mij ook kost.
’k Wil mijn leven voor U geven.
Daartoe ben ’k verlost.
6.
’t Slavenleven op te geven,
te weerstaan met macht,
’t zwaard te dragen, voorwaarts jagen,
daartoe krijg ik kracht!
te weerstaan met macht,
’t zwaard te dragen, voorwaarts jagen,
daartoe krijg ik kracht!
7.
Dapper strijden, dulden, lijden,
zwijgen, stil als U,
ootmoed leren, U vereren,
Daarnaar zoek ik nu.
zwijgen, stil als U,
ootmoed leren, U vereren,
Daarnaar zoek ik nu.
8.
Aan uw harte kunnen smarten
mij niet plagen meer.
Schone stede: rust en vrede!
’k Weet de weg, o Heer!
mij niet plagen meer.
Schone stede: rust en vrede!
’k Weet de weg, o Heer!