1.
Dank Heer, U buigt de overmoed,
hoogmoed en trots breekt U voorgoed.
Uw tucht verdrijft met liefdemacht
de dwaasheid uit mijn jonge hart.
hoogmoed en trots breekt U voorgoed.
Uw tucht verdrijft met liefdemacht
de dwaasheid uit mijn jonge hart.
2.
Dank Heer, uw wijsheid voert omlaag
van hoogten waar ’k U niet behaag.
Dank voor de slagen van uw tucht,
die ware wijsheid geeft als vrucht.
van hoogten waar ’k U niet behaag.
Dank voor de slagen van uw tucht,
die ware wijsheid geeft als vrucht.
3.
U die mij naar de diepte leidt,
hebt mij uw vrede daar bereid.
O laat mij daar, verborgen, klein,
geheel met U verenigd zijn!
hebt mij uw vrede daar bereid.
O laat mij daar, verborgen, klein,
geheel met U verenigd zijn!
4.
Uit diepten, waar men ’t leven vindt,
waar vreugd en diep geluk ontspringt,
weerklinkt het loflied telkens weer
uit blijde harten tot Gods eer.
waar vreugd en diep geluk ontspringt,
weerklinkt het loflied telkens weer
uit blijde harten tot Gods eer.