1.
Wij geloven in Jezus, de Here,
en dat Hij heel het werk heeft volbracht.
/: We beseffen: niets anders heeft waarde;
dit alleen heeft verlossende kracht. :/
en dat Hij heel het werk heeft volbracht.
/: We beseffen: niets anders heeft waarde;
dit alleen heeft verlossende kracht. :/
2.
Wij geloven niet slechts met de lippen,
zo’n geloof als men veelal wel heeft.
/: Overwinning in elke verzoeking!
dat geloof is het, wat in ons leeft. :/
zo’n geloof als men veelal wel heeft.
/: Overwinning in elke verzoeking!
dat geloof is het, wat in ons leeft. :/
3.
Wij verwerpen, precies als Jakobus,
een ‘geloof’, niet met werken gepaard.
/: Het gaat ons om de deugden van Christus,
Gods geboden zijn alles ons waard. :/
een ‘geloof’, niet met werken gepaard.
/: Het gaat ons om de deugden van Christus,
Gods geboden zijn alles ons waard. :/
4.
Geen gebluf, geen gevlei en geen praatjes
kunnen troost geven in ons bestaan.
/: Nee, oprecht gaan we na of ons leven
wel de toets van Gods woord kan doorstaan. :/
kunnen troost geven in ons bestaan.
/: Nee, oprecht gaan we na of ons leven
wel de toets van Gods woord kan doorstaan. :/
5.
Prijs de Heer voor ’t geloof dat wij kregen:
dat de Meester het werk heeft volbracht.
/: Maar let wel: de praktijk moet bewijzen
dat het levend geloof is, met kracht. :/
dat de Meester het werk heeft volbracht.
/: Maar let wel: de praktijk moet bewijzen
dat het levend geloof is, met kracht. :/
6.
Ben je werk’lijk met Christus gekruisigd?
Is ’t geloof hierin levend altijd?
/: D’ oude mens zal geen vin meer verroeren,
zodat ieder kan zien: ’t is een feit! :/
Is ’t geloof hierin levend altijd?
/: D’ oude mens zal geen vin meer verroeren,
zodat ieder kan zien: ’t is een feit! :/
7.
Komt er boosheid, gemopper of leugen,
of partijschap, kritiek en zo meer,
/: zo’n ‘geloof’ is toch maar te beklagen,
en de wereld kijkt daar slechts op neer! :/
of partijschap, kritiek en zo meer,
/: zo’n ‘geloof’ is toch maar te beklagen,
en de wereld kijkt daar slechts op neer! :/