409

Mijn God is de enige levende God

1.
Mijn God is de enige levende God.
All’ eer die er is, komt Hem toe.
Van harte, met blijdschap bemin ’k zijn gebod;
daarom word ik ’t zingen niet moe.
Refrein:
Nu is ’t voorbij, nu is ’t voorbij,
voorbij is de afgoderij.
Ik blijf op Gods altaar, daar offer ik mij.
Voorbij is de afgoderij!
2.
De Mammon regeert over velen op aard;
zij zwoegen en streven met vlijt.
De lusten vermeerd’ren met ’t geld, hier vergaard;
die eisen steeds meer van je tijd.
3.
En zie eens de velen die off’ren aan sport,
weer and’ren aan kennis en kunst,
verknoeiend het kostbare leven, zo kort,
voor eer van de mensen en gunst.
4.
Men heeft niet zijn hart als Gods tempel bereid,
met ongeloof is het gevuld.
Ja, bouwen en planten, daarvoor heeft men tijd!
Het vlees dient men wel, onverhuld.
5.
Bedrogen door schoonheid, misleid door haar glans.
Men valt voor wat groot lijkt te zijn.
Voor ’t Koninkrijk Gods missen velen hun kans.
Zijn zegen lijkt hun ijd’le schijn.
6.
Herstel nu Gods altaar weer in deze tijd,
hoe dwaas ook voor wie niet gelooft.
God schenkt echter wie Hem geheel is gewijd
zijn vuur, dat niet weer wordt gedoofd.
Refrein:
God is de Heer, God is de Heer!
Ik doe zijn gebod meer en meer.
Ik blijf op Gods altaar, daar offer ik mij.
Voorbij is de afgoderij!
Geschreven in 1953 door Elihu Pedersen (gepubliceerd in 1980)Gecomponeerd door Ingebrigt Olsen HaalandTekst © Stiftelsen Skjulte Skatters ForlagNorway ⋅ G